Groei & puberteit
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent nec odio ut purus volutpat facilisis pulvinar et nunc. Morbi lectus risus, maximus a volutpat id, vulputate in nisi.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent nec odio ut purus volutpat facilisis pulvinar et nunc. Morbi lectus risus, maximus a volutpat id, vulputate in nisi.
Er is een algemeen maatschappelijk belang om de groei van kinderen en jongeren op te volgen. Groei is een belangrijke gezondheidsindicator die niet alleen uitdrukking geeft aan de kwaliteit van leven van een populatie of een individu maar ook een reflectie is van het gebruik van beschikbare voorzieningen.
De interpretatie van gestalte, gewicht, hoofdomtrek, BMI,… in het licht van klinische bevindingen is een belangrijke methode in de vroegdetectie van aandoeningen die de groei verstoren.
Anderzijds is het zo dat een studie van de groei een essentieel onderdeel is van de oppuntstelling van elk kind dat zich aanbiedt met een zwakke gezondheid, een gestoorde ontwikkeling, onverklaarde klachten of twijfels over het emotionele en sociale welzijn.
De regelmatige contacten, waartoe groeimonitoring aanleiding geeft, zijn geschikte momenten voor individueel overleg met ouders en kinderen over diverse aspecten van gezondheidsopvoeding en ontwikkeling. Naarmate kinderen ouder worden, groeit de persoonlijke interesse in hun groei en mogelijke eindgestalte. Omgekeerd verdedigen experts dat elk contact met kind en ouders aanleiding moet zijn tot wegen en meten.
Bij het opvolgen van de groei staat het meten van de gestalte, het wegen van het lichaamsgewicht en de interpretatie van de meetresultaten aan de hand van de groeicurven centraal. Kennis van de pubertaire status kan bijdragen tot een correcte beoordeling van een groeipatroon vanaf de leeftijd waarop meisjes en jongens zich pubertair beginnen te ontwikkelen. Controle van de pubertaire status wordt gevat door het toezien op de ontwikkeling van kinderen en jongeren die hun seksualiteitsbeleving ontplooien. Met andere woorden gestalte, gewicht en puberteit zijn indicatoren voor de groei en ontwikkeling van kinderen en jongeren. De monitoring van gestalte, gewicht en puberteit dient idealiter geïntegreerd te gebeuren: de gestalte moet worden geïnterpreteerd in het licht van de gewichtsevolutie en de puberteit. Een gunstige of ongunstige gewichtsevolutie krijgt een andere betekenis naargelang de impact op de lengtegroei en/of de ontwikkeling van de puberteit en vice versa.
Om die reden bundelt de standaard ‘Groei’ alle aanbevelingen die betrekking hebben op de meting en de interpretatie van elk van de indicatoren en het te voeren beleid. Echter, naast de algemene doelstelling ‘Monitoring van de groei van kinderen en jongeren’ zijn er via de opvolging van de gestalte, het gewicht en de puberteit ook leeftijds- en indicatorspecifieke doelen en aanpak beschreven. Zo biedt de monitoring van de gestalte een uitstekende gelegenheid om een problematisch kleine gestalte en/of een afwijkend groeipatroon te detecteren. Monitoren van de gewichtsevolutie laat toe om overgewicht en obesitas vast te stellen (Zie Standaard Gewicht en eetgedrag). De klinische controle van de secundaire geslachtskenmerken bij de adolescent maakt niet alleen een correcte interpretatie van het groeipatroon mogelijk maar detecteert een afwezige, verlate of vertraagde ontwikkeling van de puberteit.
Voor een gebruiksvriendelijke lectuur worden de concrete aanbevelingen en de werkkaarten per systematisch contactmoment en doel gepresenteerd in het hoofdstuk ‘richtlijn voor CLB’ met aanvulling van wat een zinvol bijkomend vervolgaanbod is.
Als basisprincipe geldt een groeigerichte benadering
Dit is te begrijpen in de brede zin van het woord: meetresultaten van gestalte en gewicht moeten worden geïnterpreteerd als dynamische indicatoren van het globale groeiproces in relatie met de persoonlijke en contextuele voorgeschiedenis. Een groeigerichte benadering gaat uit van de veerkracht en mogelijkheden van een kind/jongere en zijn ouders bij het bespreken van risico’s, beschermende factoren, signalen of problemen van groei, gewicht of eetgedrag. Technieken uit motiverende gesprekvoering zijn hierbij helpend. Maak contact met de ouder(s) en/of leerling en kom tegemoet aan hun nood aan autonomie, verbondenheid en competentie.
Medewerkers in de CLB die gestalte van leerlingen meten en beoordelen zijn de gebruikers van deze standaard. De beroepskwalificatie die vereist is om deze handeling uit te voeren is hier beschreven.
De doelpopulatie zijn alle leerplichtige leerlingen die ofwel schoollopen in het Vlaamse onderwijs ofwel huisonderwijs volgen en in Vlaanderen verblijven. Monitoring van gestalte is een onderdeel van de systematische contactmomenten die worden georganiseerd conform het decreet (zie Verantwoording).
Monitoring van groei en ontwikkeling van jonge kinderen van 0 tot en met 3 jaar gebeurt op de consultatiebureaus van Kind en Gezin. Dit is een gratis preventieve dienstverlening voor elk kind dat in Vlaanderen verblijft. Dit aanbod is vrijwillig. Meer info over Dienstverlening Kind en Gezin.
CLB zetten de gratis preventieve dienstverlening verder voor schoolgaande kinderen (zie doelpopulatie) onder de vorm van systematische contactmomenten. Deze systematische contactmoment zijn verplicht, maar ouders of kinderen vanaf 12 jaar kunnen zich wel verzetten tegen een bepaalde CLB-medewerker, of tegen het CLB. In dat geval kan het onderzoek uitgevoerd worden door een andere CLB-medewerker, of door een externe zorgverstrekker (huisarts of kinderarts). Zie Systematische contacten (medisch onderzoek) – voor CLB-personeel | Vlaanderen.be
Ook individuele zorgprofessionals zoals huisartsen en kinderartsen monitoren groei en ontwikkeling van kinderen vanuit preventief oogpunt. Dit is op initiatief van de ouders en wordt gedeeltelijk terugbetaald vanuit de ziekteverzekering.
Indien vanuit de preventieve monitoring een afwijkende gestaltemeting of puberteitsontwikkeling wordt vastgesteld die verdere investigatie vraagt zal een verwijzing naar de curatieve sector plaatsvinden. Dit is standaard naar de huisarts, maar er kan geopteerd worden om naar een algemene pediater of kinderendocrinoloog te verwijzen, of naar een uroloog of gynaecoloog bij specifieke genitale vraagstellingen. In geval van een verwijzing naar een behandelaar die niet de huisarts is, wordt de huisarts steeds geïnformeerd over de verwijzing zodat deze het overzicht kan bewaken.
= Monitoring van de groei (gestalte en gewicht)
Kinderen en jongeren worden gemeten en gewogen tijdens elk systematisch contactmoment.
Elk contactmoment heeft in functie van de leeftijd en mogelijk voorkomen van een groeiprobleem, naast de monitoring van de groei een specifieke doelstelling.
In de wetenschappelijke literatuur worden drie types criteria onderscheiden, die gebruikt worden om kinderen te selecteren die omwille van een vermoedelijke stoornis in de lengtegroei baat hebben bij meer doorgedreven diagnostiek, moeten worden doorverwezen of moeten worden teruggezien, met name:
Om het beleid te bepalen kan men gebruik maken van één criterium of van een combinatie van verschillende criteria, in welbepaalde volgorde. In de huidige richtlijnen wordt gebruik gemaakt van een combinatie van criteria.
Vlaanderen beschikt over representatieve groeicurven voor haar opgroeiende populatie. De groeicurven zijn zo ontworpen dat het alle zorgverstrekkers, die betrokken zijn bij de evaluatie van groei van kinderen (huisartsen, kinderartsen, jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen), uitnodigt om hun beslissingsproces volgens dezelfde criteria te laten verlopen.
Enerzijds visualiseert de groeicurve zones van verhoogde aandacht (zones tussen + 2.5 en +2 SD en – 2.5 en -2 SD), en terzelfdertijd geven ze grenswaarden aan voor verwijzing ( < – 2,5 SD).
Beide zones zijn gekozen omwille van hun klinische relevantie, en zijn gebaseerd op internationale ervaring en consensus. Bovendien is de grenswaarde die het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) hanteert voor terugbetaling van groeihormoonbehandeling voor kinderen met een kleine gestalte als gevolg van intra-uteriene groeivertraging, die de groeiachterstand niet hebben ingehaald op de leeftijd van 4 jaar.
Bij het opstellen van richtlijnen onder vorm van beslisbomen werd ervoor gekozen om de Vlaamse groeicurve (2004) voor gestalte met de aangegeven zones optimaal te gebruiken. Zie Criteria voor de beoordeling van de gestalte en het groeipatroon voor meer informatie.
Dit resulteert in de volgende criteria voor de evaluatie van de gestalte van kinderen en jongeren van schoolgaande leeftijd:
Het doellengtegebied is een zone die zich 1.6 SD boven tot 1.6 SD onder de doellengte aftekent.
De lengtegroei bij kinderen kent spontane episodes van versnelling en vertraging. Boven de leeftijd waarop de puberteit van start kan gaan (8 jaar bij meisjes, 9 jaar bij jongens) is een stijging van de gestalte-SD doorgaans een expressie van de groeispurt. Een zekere stagnatie van de gestalte-SD is doorgaans het gevolg van een relatief late pubertaire ontwikkeling.
Tussen de leeftijd van 3 en 10 jaar vragen groeiversnellingen en -vertragingen bijzondere aandacht.
Het basisaanbod groei en puberteit omvat:
Voor verdere toelichting zie Verdiepende informatie – Meten en interpreteren van groei en pubertaire ontwikkeling
Voor verdere toelichting zie Verdiepende informatie – Meten en interpreteren van groei en pubertaire ontwikkeling




Bijkomende aanbod bestaat minstens uit ouders contacteren en beeld krijgen van:
Indien de afwijkende groeicurve kadert in een reeds gekende diagnose en hiervoor een passende behandeling en follow-up voor geïnstalleerd is dan kan het bijkomend aanbod zich tot deze investigatie beperken.
Indien het om een nog niet eerder geïnvestigeerde of nieuw ontstane afwijking van de groeicurve gaat, dan is het bijkomend aanbod, hetzij bij de CLB-arts, hetzij rechtstreeks bij de huisarts aangewezen, bij voorkeur onder de vorm van een fysiek consult zodat ook klinisch onderzoek mogelijk is.
De noodzaak voor verwijzing breder documenteren en toelichten aan de ouders in geval van gestalte < – 2.5 SD;
De noodzaak voor verwijzing breder documenteren en toelichten aan de ouders wanneer de gestalte ≥ -2.5 SD maar <-2 SD (de onderste grijze zone) én onder het doellengtegebied valt.
Pre- en perinatale geschiedenis: zwangerschapsduur, geboortegewicht, geboortelengte (prematuriteit/dysmaturiteit), perinatale hypoxie, stuitbevalling (risico voor groeihormoontekort), chronische ziekte of syndroom.
Een geboortelengte < -2 SD en de huidige kleine gestalte wijzen op onvoldoende inhaalgroei. Aandacht voor de psychosociale context waarin een kind opgroeit, gelet op de impact van emotionele deprivatie op de groei van kinderen.
Het doel van de verwijzing is een familiale kleine gestalte te onderscheiden van de pathologische oorzaken van een kleine gestalte. Bijzondere aandacht voor premature of dysmature kinderen zonder catch-up groei met een gestalte onder -2,5 SD. Deze kinderen komen, rond de leeftijd van 4 jaar immers in aanmerking voor een behandeling met groeihormoon.
In functie van de gegevens uit het klinisch onderzoek en de leeftijd van het kind:
Pre- en perinatale geschiedenis: zwangerschapsduur, geboortegewicht, geboortelengte (prematuriteit/dysmaturiteit), familiaal voorkomen van grote gestalte of syndromen geassocieerd met grote gestalte, recente ziekteperiode.
In functie van de gegevens uit het klinisch onderzoek en de leeftijd van het kind:
Licht toe dat behandeling mogelijk is en dat dit best wordt opgestart voor of in begin van de groeispurt. Gedocumenteerd verwijzen indien ouders en leerling dit wensen.
Zoekend naar mogelijke relaties of verklaringen van de late of afwezige start van de ontwikkeling van de puberteit.
Inspectie van de jongere met volgende gerichte aandachtspunten:
Bij klinisch onderzoek is de palpatie van de testes belangrijk met aandacht voor het volume en de consistentie (anorchie, atrofie, tumor).
In afwezigheid van enig pathologisch gegeven uit de anamnese en het klinisch onderzoek (met uitzondering van de groeivertraging) en eventueel een familiale geschiedenis van laattijdige start van de puberteit, is een fysiologische / constitutionele vertraagde puberteit de meest waarschijnlijke hypothese.
Doel van de verwijzing is om een fysiologische achterstand in pubertaire ontwikkeling (en groei) te onderscheiden van een pathologisch late of afwezige puberteit. De emotionele impact ervan is erg groot waardoor ook bij de vermoedelijk fysiologisch late puberteit een behandeling kan worden overwogen.
Wanneer een kind één majeure afwijking heeft dan gaat het meestal om een geïsoleerd probleem dat zelden expressie is van een onderliggend syndroom. Op de leeftijd dat een kind zich binnen het CLB presenteert, is een majeur probleem meestal reeds gekend en al dat niet gecorrigeerd of in behandeling. Moest dit uitzonderlijk niet het geval zijn, moet er worden doorverwezen.
Bij 2 of meerdere majeure afwijkingen moet steeds naar een samenhang worden gezocht. Deze kinderen zijn at risk voor een vertraagde ontwikkeling en moeten worden verwezen indien dit niet eerder gebeurde.
Als er sprake is van 1 of 2 mineure afwijkingen dan kan dit normaal zijn. Het dysmorf kenmerk als geïsoleerd fenomeen dwingt niet tot doorverwijzing. Indien het kind echter is aangemeld voor leer-, gedrag- of ontwikkelingsstoornis dan is dit voldoende reden om de ouders te zien en de stoornis en eventuele aangeboren afwijkingen in een breder kader te plaatsen.
Zijn er 3 of 4 afwijkingen kan men een onderlinge samenhang vermoeden onder vorm van een syndroom maar dit is niet noodzakelijk. Hier is het zinvol om via het CLB-team informatie te verzamelen over het gedrag in de klas en de schoolprestaties om leer-of ontwikkelingsproblemen actief op te sporen. Doen er zich problemen voor dan is dit een reden om de ouders te zien en de leerproblemen en de dysmorfe kenmerken in een breder kader te plaatsen.
Indien er 5 of méér dysmorfe kenmerken zijn, is dit voldoende reden om actief naar de samenhang te gaan zoeken. In dit geval wordt een syndromaal lijden erg waarschijnlijk.
De aanwezigheid van een dysmorf kenmerk wijst op een gestoorde embryonale of foetale ontwikkeling. Indien het kenmerk geïsoleerd voorkomt, geen functionele noch esthetische hinder veroorzaakt en het kind geen blijk geeft van een gestoorde ontwikkeling, is een gesprek noch een doorverwijzing noodzakelijk.
Bij meerdere dysmorfe kenmerken gecombineerd met een ontwikkelingsachterstand, een leerstoornis of problematisch gedrag, moet er naar een gemeenschappelijke noemer worden gezocht. Een grondige anamnese naar zwangerschap, geboorte en ontwikkelingsmijlpalen evenals een familiale anamnese dringen zich dan op.
Verwijzen voor precieze diagnostiek al dan niet met genetisch onderzoek kan om meerdere redenen zinvol zijn:
Wanneer dysmorfe kenmerken worden vastgesteld, moet men er zich bewust van zijn dat dit fenotypische expressies zijn met een (op dat moment nog) onbekende oorzaak.
Talrijke aandoeningen krijgen een ‘diagnostisch etiket’ van verschillende betekenis of niveau:
Hier kan men onderscheid maken tussen:
Een syndroom verwijst naar het samen voorkomen van meerdere kenmerken die allemaal naar dezelfde oorzaak zijn terug te brengen (syndroom van Down, syndroom van Steinert,…)
Bij een sequence heeft één oorzaak een reeks gevolgen die secundair zijn aan elkaar (domino-effect). De Potter sequence is hier een voorbeeld van waarbij, in dit geval, een genetisch defect oorzaak is van een bilaterale agenesie van de nieren met als gevolg oligohydramnios, tekort aan intra-uteriene ruimte, compressie van de foetus en deformaties als klompvoet, longhypoplasie en retrognatie. Een sequence kan ook een niet-genetische oorzaak hebben.
Een associatie verwijst naar kenmerken die statistisch vaker dan verwacht samen voorkomen maar waarvan de pathogenese niet duidelijk is. De VATER associatie verwijst naar afwijkingen van de vertebrae, anus, duim, slokdarm en nieren.
Sinds einde 19e, begin 20e eeuw worden zuigelingen en kinderen met regelmaat gewogen en gemeten. De oorspronkelijke doelstelling, detectie van ondervoeding, is nog steeds actueel in ontwikkelingslanden maar minder in de Westerse wereld. Niettemin blijft het regelmatig wegen en meten van opgroeiende kinderen een universeel geldend advies (1) en is het een cruciale activiteit in de preventieve en curatieve gezondheidszorg en in het wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheid van kinderen (2). Het groeipatroon weerspiegelt de gezondheidstoestand en de ontwikkeling van een kind. Dit betekent dat talrijke gezondheidsproblemen (vb. nierziekte) en omstandigheden die de ontwikkeling van kinderen beïnvloeden (vb. psychosociale deprivatie) aanleiding kunnen geven tot een verstoorde groei. Een verstoord groeipatroon is een gevoelig maar weinig ziektespecifiek klinisch teken. M.a.w. er zijn bijzonder weinig aandoeningen die zich uitsluitend presenteren door een groeivertraging of een groeiversnelling (3) .
Hierdoor kan het regelmatig wegen en meten van kinderen bezwaarlijk gezien worden als een screeningsactiviteit naar één bepaalde ziekte, maar wordt deze activiteit in de literatuur omschreven als “growth monitoring”.
Niettegenstaande “growth monitoring” wereldwijd geaccepteerd is en de noodzaak ervan evident lijkt, zoeken onderzoekers nog steeds naar de wetenschappelijke onderbouw. Groeimonitoring verwijst naar een reeks van activiteiten met name
Een suboptimaal proces van monitoring kan leiden tot onnodige verwijzingen en een te vermijden stijging van de onkosten ten gevolge van medische onderzoeken (4, 5).
Strikt genomen zou de opvolging van groei zinvol zijn voor die aandoeningen waarbij:
Deze criteria gaan slechts in grote mate op voor 2 aandoeningen namelijk, een geïsoleerd tekort aan groeihormoon en het syndroom van Turner (6).
Daarnaast zijn er talrijke aandoeningen waarbij een verstoorde, veelal vertraagde, groei na verloop van tijd één van de vele expressies is van een ziekte.
Tabel 1 inventariseert een aantal aandoeningen waarbij de groeistoornis een belangrijk symptoom is maar waarvoor het regelmatig volgen van de groei niet de unieke opsporingsmethode is. Bij deze aandoeningen zullen morfologische tekens, dysproporties, een gestoorde neuromotore of cognitieve ontwikkeling of andere klinische tekenen, naast het gestoorde groeipatroon, aanleiding zijn voor diagnostisch onderzoek.
Tabel 1: Aandoeningen die de groei beïnvloeden. Bron: (6)
| Kleine gestalte of groeivertraging | Grote gestalte of versnelde groei |
| Geïsoleerde groeihormoondeficiëntie | Marfan syndroom |
| Multipele hypofysaire hormoontekorten | Klinefelter syndroom (XXY) |
| Sydnroom van Turner | XYY syndroom |
| Psychosociale deprivatie | Sotos syndrome |
| Silver-Russell syndroom | Thyrotoxicosis |
| Skeletale dysplasieën en botafwijkingen | Congenitale bijnier hyperplasie |
| Noonan syndroom | Vroegtijdige pubertaire ontwikkeling |
| Neurofibromatosis | Hypofysaire gigantisme |
| Hypothyroidie | |
| Inflammatoire darmziekten | |
| Coeliakie | |
| Chronisch nierlijden (falen) |
Hoewel groeimonitoring in de strikte betekenis geen screening is, trachten wetenschappers toch verantwoording te zoeken in een aantal criteria van Wilson en Jungner (Tabel 2).
Tabel 2: Criteria voor een screeningsprogramma. Bron: (6)
NV = niet voldaan; O= onbekend; OK= voldaan aan het criterium
A. Criteria met betrekking tot de aandoening |
|
B. Criteria met betrekking tot de de test |
|
C. Criteria met betrekking tot de behandeling |
|
D. Criteria met betrekking tot het screeningsprogramma |
|
Enkele bedenkingen voor de Vlaamse context:
Criterium B1: Om groei te volgen moet op precieze wijze worden gemeten en gewogen, de bekomen waarden moeten correct op een curve worden geplot, een aangepaste curve (gestalte-gewicht-groeisnelheid-BMI-….) moet worden gebruikt voor de doelgroep. Tot slot moeten de resultaten correct worden geïnterpreteerd en moet er een gepast vervolgbeleid worden voorzien bij de positief-gescreenden. In elke fase van dit proces kunnen fouten sluipen. Het aandeel vals-negatieven en vals-positief-gescreenden is onbekend evenals de gerelateerde kosten van het volledige traject.
Sinds de lancering van de Standaard Groei en Puberteit kan gesteld worden dat de CLB’s borg staan voor kwaliteitsvol wegen en meten van kinderen en jongeren. De interpretatie van de meetresultaten wordt gefaciliteerd door het elektronisch registratiesysteem LARS dat een aantal conclusies automatisch aanbiedt. De uniformiteit in werkwijze en materiaal is hier niet vreemd aan (7). De herziene systematiek van de contactmomenten, met name 5 in plaats van 7, heeft geleid tot aanpassing van de doelen en de beleidscriteria.
Criterium B2: Aanvankelijk beschikten we over groeicurven waar P3 en P97 als uitersten werden aangetekend. Deze centiellijnen werden als cut-off waarden gehanteerd en stelden de grens tussen wat als normaal en afwijkend moest worden beschouwd. Voor groeipatronen binnen de uiterste centielen waren nog geen éénduidige richtlijnen voor gebruik in de CLB’s beschikbaar. De introductie van de Vlaamse Groeicurven 2004 en de verwijscriteria van de standaard groei verfijnden het beleid van groeimonitoring door de uitbreiding van de centiele lijnen met de standaarddeviatiescores ± 2 en ± 2.5. Naar aanleiding van de revisie 2018 van de richtlijnen voor het opvolgen van de lengtegroei, worden de groeicurven met aanduiding van percentielen aangevuld door groeicurven met aanduiding van de standaarddeviatiescores (SD) 0, ± 1, ± 2, ± 2.5. Het gebruik van de SD in de plaats van percentielen laat ook toe een uniform en reproduceerbaar beleid te voeren voor opvallende toenames en afnames in gestalte SD. De Vlaamse Groeicurven 2004 zullen in LARS beschikbaar komen met lijnen op de standaarddeviaties 0, +/- 1, +/- 2 en +/- 2.5.
Criterium B4: De beschikbaarheid van standaarden voor goede praktijkvoering zal aanleiding zijn van overleg met de curatieve sector (1e, 2e, 3e lijn) om tot overeenstemming te komen omtrent het opvolgbeleid na verwijzing vanuit de preventieve jeugdgezondheidszorg. Deze consensus is actueel nog onbestaande.
Criterium D5: Het wegen en meten van kinderen en jongeren is ingeschreven in de regelgeving die de opdrachten van de preventieve gezondheidszorg in het kader van de leerlingenbegeleiding door de CLB’s beschrijft. Voor de uitvoering van deze opdracht heeft de Vlaamse overheid de standaarden jeugdgezondheidszorg aanvaard.
Naar aanleiding van het nieuwe Decreet voor leerlingenbegeleiding in het lager, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding, boog de werkgroep bevolkingsonderzoek van de Vlaamse gemeenschap zich in november 2018 over de vraag of aanpassingen aan het aanbod van systematische contacten en de aangepaste standaarden in het CLB onderworpen moeten worden aan een nieuw onderzoek en beoordeling door de werkgroep. De werkgroep kwam tot het besluit dat de huidige screeningsinitiatieven (visus, gehoor) geen nieuw advies vereisen voor zover het aanpassingen betreft aan de nieuwe frequentie van onderzoeksmomenten. Het opvolgen van de groei en ontwikkeling van de puberteit wordt niet als screening omschreven en hoeft geen beoordeling door de werkgroep want wordt gevat onder monitoring en surveillance (8).
Het ontbreken van evidentie is niet hetzelfde als het bewijs van niet-evidentie (9).
Er zijn goede redenen om de groei van kinderen en jongeren op te volgen, weliswaar gebaseerd op een combinatie van wetenschappelijke argumenten (‘evidence based’), praktijkevidentie (‘practice based’), consensus (10), het vermoedelijke voordeel van een vroege diagnose en behandeling, en de kosten-baten analyse (11).
Ter gelegenheid van de groeimonitoring kunnen verstoorde groeipatronen worden opgemerkt. Hier sluit het opvolgen aan bij enkele principes van screening. Door het regelmatig wegen en meten worden kinderen opgemerkt die nood hebben aan bijkomend onderzoek, advies, ondersteuning of geen verdere actie (figuur 1).

Met gebruik van een wetenschappelijk onderbouwde methode (RAND/UCLA methode1) werd uit een lijst van 133 aandoeningen 8 ziekten weerhouden waarvan experts vinden dat ze door groeimonitoring moeten worden gedetecteerd (tabel 3) (12). Voor (verschillende van) deze aandoeningen werden bepaalde algoritmes2 voor selectie en verwijzing van kinderen onderzocht met als doel dàt algoritme te weerhouden met de grootste sensitiviteit, specificiteit en positief voorspellende waarde. Meer hierover in 3.1.3.

1 De aangepaste versie van de RAND/UCLA methode bestaat uit een aanpak waarbij gebruik wordt gemaakt van beschikbare wetenschappelijke data en wetenschappelijke en klinische expertise om op gefaseerde en beargumenteerde wijze een selectie van aandoeningen te maken die door monitoring van de groei moet kunnen worden opgespoord. Dit wordt inzichtelijk geïllustreerd in onderstaand schema.

2 Een algoritme is een reeks van instructies om vanaf een beginpunt een bepaald doel te bereiken.
Door richtlijnen te ontwikkelen voor de methode van wegen en meten, de verwijscriteria en het opvolgbeleid, worden de werkers in de jeugdgezondheidszorg ondersteund in een kwaliteitsvolle en wetenschappelijk onderbouwde zorgverlening. Registratie van de biometrische bevindingen, het aantal verwijzingen volgens de richtlijn, analyse van het vervolgtraject en de uiteindelijke diagnose, leveren materiaal om het nut en de effectiviteit van de systematische opvolging van groei bijkomend te onderbouwen (10;11).
De menselijke puberteit wordt gekenmerkt door een combinatie van groei, lichamelijke maturatie en hersenrijping resulterend in het vermogen om zich voort te planten en ouderschap op te nemen (13). De puberteit kan worden beschouwd als een biologische trigger voor psychische en sociale ontwikkeling en de gedragsverandering die daaruit voortvloeit. Afgezien van de etnische variaties en discrete seculaire trends gelden de criteria vastgelegd door Marshall en Tanner (14) nog steeds als norm voor de timing van de puberteit (zie ook 3.2). De lichamelijke veranderingen in een tijdsverloop van 4 à 5 jaar zijn in grote mate genetisch bepaald maar worden mee beïnvloed door voeding, de sociaal-economische status en de psychologische toestand van het individu (13).
Er is sprake van een te vroege ontwikkeling van de puberteit wanneer de secundaire geslachtskenmerken (borstontwikkeling) zich bij meisjes ontwikkelen voor de leeftijd van 8 jaar of menarche optreedt op een leeftijd die jonger is dan 10. Bij jongens stelt men een toename van het teelbalvolume vast (> 4 ml) voor de leeftijd van 9 jaar (15). Etiologisch wordt onderscheid gemaakt tussen een centraal aangestuurd proces met activering van de hypothalamo-hypofysaire as en een ectopische, vaak tumorale, productie van geslachtshormonen, GnRH of HCG (tabel 4)(zie ook uitgebreid deel 1-theorie van groei en puberteit).
De gevolgen van een te vroeg ontwikkelde puberteit zijn, bovenop de morbiditeit van de etiologie, de psychosociale gevolgen, een te vroege groeispurt met rijping van het bot, een voortijdige sluiting van de groeikraakbeenschijven en een eindgestalte die onder het genetisch potentieel valt. Dit kan problematisch zijn bij kinderen met een kleine gestalte door ziekte of prematuriteit.
|
Centrale pubertas praecox |
Pseudo pubertas praecox |
|
De hypothalamo-hypofysaire as is vroegtijdig ontwaakt en geactiveerd met een frequente pulsatiele vrijzetting van LH. Dit wakkert de gonaden aan die respectievelijk oestrogenen en testosteron gaan produceren. |
De hypothalamo-hypofysaire as is nog in de prepubertaire ‘slaap’- fase. De hypofyse produceert nog LH-pulsen met langdurige intervallen. Er is een perifere productie van vrouwelijke of mannelijke geslachtshormonen. Deze zullen door een negatieve feed-back de hypothalamus en hypofyse onderdrukken. |
|
Etiologie |
Etiologie |
|
Elk hersenlijden kan de hypothalamo-hypofysaire as ‘triggeren’:
|
Hormoonproducerende tumoren in de bijnieren, ovaria, testes. Deze tumoren kunnen vrouwelijke of mannelijke geslachtshormonen produceren maar eveneens GnRH of HCG.
Teratomen en andere ectopische tumoren (hepatoblastoma) Congenitale adrenale hyperplasie In het kader van syndromen: McCune-Albright syndroom (polyostotische fibreuze dysplasie, pubertas praecox, café au lait vlekken, hyperthyroïdie) en Cushing syndroom. |
|
Een langdurige onbehandelde hypothyroïdie |
|
|
Idiopathisch |
Tabel 4: oorzaken van een te vroege ontwikkeling van de uiterlijke geslachtskenmerken (16)
De prevalentie van de pseudo pubertas praecox valt samen met deze van de oorspronkelijke etiologische tumoren. De centrale, vaak idiopathische vormen van een te vroege puberteit zijn zeldzaam. Een beperkt aantal studies onderzocht de jaarlijkse landelijke incidentie van centrale pubertas praecox. Vergelijkingen tussen de studies zijn moeilijk door gebruik van verschillende inclusiecriteria. Het prevalentiecijfer3 van centrale pubertas praecox is voor Denemarken 20-23/10 000 meisjes en minder dan 5/10 000 jongens (17).
Onderzoekers uit Frankrijk (18) en Denemarken (17) die gelijkaardige inclusiecriteria hanteren rapporteren een jaarlijkse incidentie4 van respectievelijk 2,68/10 000 (FR) en 1,5 à 2,9/10 000 (DK) meisjes jonger dan 9 en 0,24 (FR) en 0,25/10 000 (DK) voor jongens jonger dan 10 jaar. Koreaanse cijfers beschrijven een jaarlijkse landelijke incidentie tussen 0,33 tot 5,04/10 000 meisjes jonger dan 8 jaar en 0,03 tot 0,12/10 000 voor jongens onder de 9 jaar in de periode tussen 2004 en 2010 (19, 20). Hoewel de gebruikte inclusiecriteria strenger zijn, stellen ze een opvallende toename vast van idiopatische vormen van pubertas preacox, weliswaar in de wat oudere leeftijdscategorie (6 tot 8j), wat de vraag doet rijzen of het leeftijdscriterium voor de definiëring van centrale pubertas praecox moet worden aangepast. Tot een vergelijkbare conclusie komen clinici die het groeipatroon van meisjes met centrale pubertas preacox vergelijken met dat van meisjes met een vroeg-normale en een normale timing van de puberteit. De meisjes met de centrale pubertas praecox en de groep met een vroeg- normale timing van de puberteit vertonen een identiek en kenmerkend vroeg versneld groeipatroon dan de groep meisjes met een pubertaire timing in de normale variatie (21, 22).
Het zeldzame voorkomen van pubertas praecox, het hoge aandeel in de prevalentie- en incidentiecijfers van de idiopatische centrale pubertas praecox bij de relatief hogere leeftijdscategorie (6-9 jaar) en coïncidentie met de vroege groeispurt maken dat een klinische controle van de pubertaire status bij de kleuters van 3 à 4 jaar tijdens het systematisch contact niet als onderzoeksonderdeel wordt weerhouden. Daarentegen gaat er bij het systematisch contact voor de 6-7-jarigen (1ste leerjaar) en de 9-jarigen (4e leerjaar) bijzondere aandacht naar de mate van groeiversnelling (toename met méér dan 1 SD) als mogelijke expressie van een onderliggende hormonale stoornis, waaronder de centrale pubertas praecox er één van is.
Naast het monitoren van de (lichamelijke) ontwikkeling van jongeren, in casu de status van de puberteit, is de doelstelling van een controle van de genitalia (T- en G-score), borstontwikkeling en menarche, de detectie van een late of vertraagde ontwikkeling van de puberteit.
Een late ontwikkeling van de puberteit wordt gedefinieerd als het uitblijven van secundaire geslachtskenmerken op een leeftijd die ouder is dan -2 SD van de normale leeftijdsverdeling. Deze definitie impliceert een prevalentie van 2,3 % (-2 SD = P2,3) van de opgroeiende jongeren bij wie het zinvol is om de onderliggende reden te onderzoeken.
Doorgedreven diagnostisch onderzoek bij 244 jongeren (174 jongens, 70 meisjes) met een late of afwezige puberteit levert een overzicht van weerhouden diagnoses (tabel 5) (23). De late of vertraagde puberteit wordt in 82% van de jongens en 56% van de meisjes toegeschreven aan een constitutionele achterstand in groei en puberteit (CDGP). Bij 18% van de jongens en 45% van de meisjes is een onderliggende pathologie aanwezig, doorgaans een chronische ziekte (FHH) waar het uitblijven van de puberteit één van de klinische tekens is. In mindere mate betreft het primaire vormen van hypo- en hypergonadotroop hypogonadisme. Cryptorchidie is in deze populatie sterk gecorreleerd met een permanent hypogonadotroop hypogonadisme (PHH). Een groeisnelheid < 3 cm/jaar correleert sterker met een chronische ziekte en minder met primaire oorzaken van late puberteit (centraal of perifeer).
3 Prevalentie = het aantal gevallen van een ziekte per 1000 (of een andere proportie van de bevolking) op een bepaald moment in een bevolking
4 Incidentie = het relatieve aantal nieuwe gevallen van een ziekte in een bepaalde tijdsperiode (vb. een jaar)
Deze publicatie is interessant door de grootte van de patiëntenreeks en om de aan het CLB vergelijkbare setting waarbij (ogenschijnlijk ‘gezonde’) schoolkinderen worden onderzocht, ongeacht de aanwezigheid van klachten. Dit verklaart waarom het aandeel CDGP ietwat hoger is dan in eerdere publicaties gebaseerd op een groep patiënten die zich wegens klachten in het ziekenhuis aanboden (24, 25). Anderzijds hanteerden de onderzoekers strengere inclusiecriteria voor jongens dan degene die in het CLB gangbaar zijn, met name een Tvolume < 3ml op 14 jaar of G2 op 15 jaar. Dit doet vermoeden dat het aandeel van CDGP in een Vlaamse populatie van 14- jarige jongens met een T-volume van 4ml of minder op 14 jaar toch nog iets hoger kan zijn dan in de gepresenteerde studie. Met andere woorden, we kunnen verwachten dat er minder jongens van 14-15 jaar zullen zijn met T-volumes van 1 en 2 ml dan van 1, 2 en 3ml.

Onderzoek naar de impact van CDGP bij (jong)volwassenen op eindgestalte, emotionele status, botdensiteit, het risico op borstkanker/testiskanker en het cardiovasculair risico levert argumenten contra ‘watchfull waiting’ (26).
In principe geldt de latere timing van de groeispurt als inhaalmanoever op het genetisch groeipotentieel en het bereiken van de verwachte eindgestalte. Bij jongeren met een CDGP stelt men vast dat de groeisnelheid prepubertair gemiddeld trager is (echter geen vertraging > 1SD) en dat de kans bestaat dat de inhaalgroeispurt de hierdoor opgelopen achterstand niet volledig compenseert. Dit betekent daarom niet steeds dat de eindgestalte onder het doellengtegebied valt. Echter, kinderen met een familiaal kleine gestalte en CDGP lopen wél een reëel risico op een eindgestalte onder het doellengtegebied. Hieruit leren we dat een combinatie van factoren als een familiaal kleine gestalte en een constitutioneel late timing van de puberteit bijzondere aandacht vraagt.
Een CDGP blijkt een voorspeller te zijn van een verminderde botdensiteit en een toename van het aantal fracturen op (jong)volwassen leeftijd.De psychosociale impact van CDGP op meisjes is beperkt tot verwaarloosbaar. Jongens daarentegen lijden hier wel onder en vertonen meer internaliserend gedrag en middelengebruik als jongvolwassene en depressie en angststoornissen op volwassen leeftijd. Het cardiovasculair risico op volwassen leeftijd is bij meisjes verhoogd bij zowel een te vroege als een verlate ontwikkeling van de puberteit (figuur 2).

Eén van de oorzaken van een afwezige puberteit bij jongens is het klinefeltersyndroom (hypergonadotroop hypogonadisme), ook wel de ‘hidden disease’ genoemd. Het syndroom van Klinefelter kent een prevalentie van 1/600 jongens.
Een vergelijking van het aantal prenatale karyotyperingen met een XXY-uitkomst met postnatale prevalentiecijfers doet vermoeden dat minstens 25% van de patiënten nooit worden gediagnosticeerd en dat slechts 10% een diagnose krijgt in de leeftijdsrange 10-14 jaar (27). Voor jongens onder de 11 jaar is de aanleiding voor diagnostiek met karyotypering een (vermoeden van) ontwikkelingsvertraging. Vanaf 11 jaar zijn de kleine consistente teelballen de meest voorkomende aanleiding tot verwijzing en bijkomend onderzoek (tabel 6). De grote gestalte is minder karakteristiek dan verwacht voor de aandoening: slechts 25% van de kinderen jonger dan 11 jaar heeft een gestalte > P90, versus 32 % voor jongens ouder dan 11 jaar (28). Dit maakt de grote gestalte onvoldoende gevoelig als indicator voor vroegdetectie van het syndroom.
Concluderend kan worden gesteld dat voor vroegdetectie van het syndroom van Klinefelter gestalte noch het teelbalvolume doorslaggevende klinische clues zijn bij lagere schoolkinderen. Signalen van een ontwikkelingsstoornis, in het bijzonder de taalontwikkeling, het ASS-like gedrag en een vermoeden van leerstoornis moeten aan het syndroom doen denken. Op adolescente leeftijd is een controle van het testisvolume wél een effectieve methode voor detectie. Experts breken dan ook een lans voor een genitaal onderzoek in de vroege adolescentie (29, 30).

De correlatie tussen het voorkomen van het klinefeltersyndroom en een stijgende maternele leeftijd doet vermoeden dat de prevalentie nog zal toenemen (27, 31) rekening houdende met de verlate kinderwens van jonge koppels.
In ontwikkelingslanden leidt de puberteit een relatief korte fase van adolescentie in waarbij de biologisch aangestuurde lichamelijke veranderingen de jongere in staat stelt een volwassen rol op te nemen in de maatschappij, te trouwen en kinderen te krijgen. In onze moderne maatschappij duurt de adolescentie ruim een decade en is de link tussen de lichamelijke ontwikkeling en het reproductief worden enigszins verbroken. De langdurigere opleiding waarvan jongeren genieten, de beschikbaarheid van contraceptie en het hebben van meerdere opeenvolgende partners maakt dat een kinderwens wordt uitgesteld en dat het langer duurt alvorens de adolescent een volwassen rol en de hiermee gepaard gaande verantwoordelijkheden opneemt (13). Deze evolutie, gevisualiseerd in figuur 3, illustreert de gewijzigde relatie tussen de biologie, de lichamelijke veranderingen en het gedrag van jongvolwassenen. Gesuggereerd wordt dat deze discrepantie een determinant is voor de toename van mentale problemen en middelengebruik bij adolescenten. Deze evolutie confronteert ons met een nieuwe complexiteit die het onderzoek van de pubertaire status in een ruimer kader van maatschappelijk functioneren plaatst.

(13). Aangepast naar Gluckman en Hanson ‘Psychosocial transitionrange from the first sexual activity trough to marriage and parenthood’ (32).
Talrijke gerenommeerde instanties waaronder de WHO bevelen, in het kader van een preventief gezondheidszorgaanbod, een genitaal onderzoek aan (33). Sommigen raden dit minstens éénmalig aan in de vroege adolescentie (33), anderen verdedigen een jaarlijks onderzoek (30). Doel is te bevestigen wat goed gaat, informatie te verstrekken over lichaamsfuncties en seksualiteit en om tijdig signalen van pathologie of een verstoorde ontwikkeling te detecteren. Het genitaal onderzoek waarover sprake, bestaat dan niet alleen uit het monitoren van de status van de puberteit (detectie van een verlate puberteit) maar omvat ook uitgebreider teelbalonderzoek (screening testeskanker, varicocoele, hydrocoele,…) en onderzoek van de penis (hypospadias). Elke vraag of bezorgdheid van een adolescent over zijn/haar puberteit, voorplanting, seksualiteitsbeleving en contraceptie moet, volgens de auteurs, aanleiding zijn tot een genitaal onderzoek.
Net als de Society of Adolescent Health (30) breekt de WHO in haar publicatie -‘Health for the world’s adolescents: a second chance in the second decade’- een lans voor een aangepast beleid en preventief programma voor deze doelgroep (34). Ze benadrukken de invloed van de lichamelijke veranderingen tijdens de puberteit op het gedrag en zien de professional in de preventieve gezondheidszorg als betrouwbare bron van informatie over de normale ontwikkeling, de menarche en spermarche en alle emoties die hiermee gepaard (kunnen) gaan.
De Nederlandse richtlijn ‘Seksuele ontwikkeling’ behandelt hoofdzakelijk de ontwikkeling van seksueel gedrag bij kinderen en jongeren en de informatie en opvoedingsondersteuning die de JGZ kan bieden tijdens de systematische contacten of in het geval van grensoverschrijdend gedrag. Hoewel de richtlijn geen concrete beschrijving biedt over de werkwijze, stelt ze dat het signaleren van problemen bij de lichamelijke ontwikkeling, met name de late puberteit, een opdracht is voor de JGZ (35).
Het wegen en meten tijdens de opeenvolgende systematische contacten is in eerste instantie bedoeld als monitoring (en bevestiging) van een gezond groeitraject. Pas in tweede instantie is het een gelegenheid om problemen te detecteren. In de context van de CLB’s, die zich richten tot alle leerplichtige kinderen en jongeren, kan deze algemene doelstelling aangevuld worden met een aantal bijkomende doelstellingen. Om deze te bepalen laten we ons leiden door wat internationaal wordt uitgevoerd en wat de wetenschap hierover te zeggen heeft. Wereldwijd worden verschillende klinische en/of statistische algoritmes gebruikt al dan niet gecombineerd met het gebruik van lokale groeicurven of WHO-groeicurven (5). Deze algoritmes (= een beslissingstraject voor bijkomende zorg) zijn niet of beperkt gevalideerd. De gebrekkige validering heeft onder meer te maken met het feit dat er slechts relatief recent een consensus is over de aandoeningen die men via groeimonitoring wil opsporen (12). Bij de validering van een algoritme is het belangrijk om te weten welke aandoening(en) men wil opsporen. Bovendien zijn er duidelijke criteria vereist voor gestalte, gewicht, BMI en eventuele andere auxologische5 indicatoren. Doel van de validering is de sensitiviteit en specificiteit in kaart te brengen en na te gaan of een bepaald algoritme een vroege(re) diagnose toelaat.
Om de doelstellingen van de standaard Groei op een verantwoorde manier te realiseren, moeten criteria worden vastgelegd die ervoor zorgen dat:

𝑠𝑒𝑛𝑠𝑖𝑡𝑖𝑣𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡 = 𝐴⁄𝐴 + 𝐵 𝑠𝑝𝑒𝑐𝑖𝑓𝑖𝑐𝑖𝑡𝑒𝑖𝑡 = 𝐷⁄𝐷 + 𝐶
Een sensitieve test streeft ernaar alle kinderen te capteren bij wie de aandoening aanwezig is. Bij een hoog sensitieve test is het risico reëel dat er ook gezonde kinderen verkeerdelijk worden geselecteerd.
Een specifieke test streeft ernaar alle kinderen bij wie de ziekte niet aanwezig is, niet te capteren. Bij een test met hoge specificiteit is het risico reëel dat er zieke kinderen worden gemist.
Welk criterium en algoritme men ook kiest, steeds zal het aanleiding geven tot een aantal fout positieven (= volgens het criterium moet het kind worden doorverwezen terwijl er in werkelijkheid geen onderliggende pathologie is) en een aantal fout negatieven (= volgens het criterium hoeft het kind niet te worden verwezen terwijl er in werkelijkheid toch pathologie aanwezig is). De vals positieven zullen aanleiding geven tot nodeloze verwijzingen, terwijl bij een vals negatieve test een kind niet zal worden doorverwezen hoewel het baat zou hebben bij opvolging of behandeling. Beide aantallen moeten tot een aanvaardbaar en werkbaar minimum worden beperkt.
5 Auxologie = de studie van de groei. Auxologische indicatoren zijn gestalte, gewicht, hoofdomtrek, gestalte dijbeen,…
De basis voor de verwijscriteria werd gezocht in de internationale wetenschappelijke literatuur waarin de ervaring met, en de evaluatie van een verwijsbeleid binnen een bepaald gezondheidszorgsysteem wordt beschreven. Sinds de lancering van de standaard Groei in 2005 werkten wetenschappers verder aan de validering van verwijscriteria en algoritmes voor een adequate monitoring en vroegdetectie van verstoorde groeipatronen(5, 12, 36, 37).
Eén van de domeinen waarbinnen de CLB opdrachten heeft is de preventieve gezondheidszorg. Na Kind & Gezin (voor kinderen van 0 tot 2.5 à 3 jaar) nemen de CLB’s de taak in de preventieve jeugdgezondheidszorg over, onder meer door middel van periodieke contacten. Tijdens deze contacten wordt een welomschreven aanbod gedaan. Deze organisatiestructuur biedt de mogelijkheid om grote groepen leerlingen met een vaste regelmaat te onderzoeken. Het laat eveneens toe initiatieven te ontwikkelen om kinderen en jongeren buiten dit vastgelegde stramien ter controle terug te zien.
Dit aanbod in het domein van de preventieve gezondheidszorg maakt integraal deel uit van de globale gezondheidszorgstructuur en moet aansluiting vinden bij de curatieve 1e, 2e en 3e lijns-gezondheidszorg.
Kennis van deze structuur, de kostprijs van doorverwijzing voor een specialistisch consult, de drempel voor de patiënt om op een verwijzing in te gaan, bepalen de keuze van de richtlijn en het beslissingstraject mee.
De groeidata verzameld ter gelegenheid van de systematische contacten worden geregistreerd in het elektronisch leerlingendossier. Jaarlijks worden geanonimiseerde data overgedragen naar het Departement Onderwijs vanwaar de data, die betrekking hebben op de standaarden Jeugdgezondheidszorg en beschreven zijn in de nom-fiches, naar het Agentschap Zorg en Gezondheid worden overgedragen voor analyse (7).
In een zoektocht naar de meest effectieve methode voor vroegdetectie van kleine gestalte en groeivertraging werden 7 algoritmes (tabel 7) met elkaar vergeleken (37).

De gebruikte indicatoren voor de groei zijn gestalte, BMI, afstand tussen de gestalte van het kind en de doellengte, afname en toename van gestalte en BMI, alles in SD. Deze indicatoren worden aangevuld met klinische informatie over de afwezigheid van een inhaalgroei na intra-uteriene groeivertraging, dysproportie en dysmorfie. Tabel 8 geeft een overzicht van de verschillende algoritmes en de groeiindicatoren die voor de respectieve algoritmes zijn gebuikt (linkse kolom). In de diverse algoritmes worden meerdere indicatoren van de groei in wisselende combinaties opgenomen. Doel van het onderzoek is om na te gaan welk van de algoritmes het beste in staat is om kinderen met een groeistoornis te detecteren in een populatie van hoofdzakelijk gezonde kinderen
Alle algoritmes gebruiken gestalte. De meesten voegen hier de doellengte aan toe (m.n. verschil gestalte en doellengte), enkelen voegen hierbij nog gestalte-deflectie, groeisnelheid en/of het uitblijven van inhaalgroei en morfologische kenmerken.

De 7 algoritmes werden toegepast op groeigegevens van kinderen met het syndroom van Turner (n=112), groeihormoon tekort (GHD-PSIS)(n=163), coeliakie (n=66) en een groep ogenschijnlijk gezonde kinderen (n=3406). De absolute gestaltes, gewicht en BMI werden omgezet in standaarddeviatie (SD) volgens de WHO-curves en nationale Franse6 groeidata. Werden eveneens mee genomen in de vergelijking: de afstand tussen de gestalte SD van het kind (HSD) en de doellengte SD (THSD) en de theoretische reductie van de leeftijd waarop de diagnose zou kunnen worden gesteld.
Van de 7 algoritmes werden deze weerhouden met een specificiteit die groter is dan 98%. Dat betekent dat er maximum 2% van de kinderen als vals negatief mogen worden verwacht. Vervolgens werd naar de sensitiviteit van het algoritme gekeken voor elk van de 3 aandoeningen.
Als beste algoritme werd de Grote klinische besluitregel weerhouden. Dit is een algoritme dat in Nederland werd opgesteld na grondige mathematische analyse van groeidata van kinderen met het syndroom van Turner, GHD en mucoviscidose. Naargelang de aandoening, varieert de specificiteit tussen 98 en 99% en de sensitiviteit tussen 27 en 85%. De leeftijdsreductie van de diagnose is afwezig tot zeer bepekt is (0-0.9jaar). De sensitiviteit wordt opgedreven wanneer de WHO-groeicurven worden gebruikt in de plaats van de nationale curven.
6 De groeidata van de ogenschijnlijk gezonde kinderen komen uit 3 grote Franse studies.

bron: https://www.ncj.nl/richtlijnen/alle-richtlijnen/richtlijn/?richtlijn=13&rlpag=701
Een absoluut verwijscriterium voor kleine gestalte op -2.5 SD betekent dat theoretisch 0,6% van de onderzoekscohortes voor verder nazicht moet worden verwezen. Niettegenstaande zal een deel van de meisjes met het syndroom van Turner door dit criterium niet worden opgepikt. Figuur 6 illustreert dat ongeveer ¼ van de Turner patiëntjes een gestalte heeft binnen de normale variatie.
Tabel 9 geeft aan dat de toepassing van het criterium – 2,5 SD een sensitiviteit heeft van 74 om Turner syndroom te detecteren. Zouden we ons absoluut criterium verlagen naar – 3 SD (verhoogt de specificiteit) zal men bij een groter aantal meisjes met Turner een gestalte binnen de normale variatie noteren en zal de sensitiviteit bijgevolg dalen.


Om de sensitiviteit van het algoritme te verhogen, wordt niet alleen naar de gestalte gekeken maar ook naar de doellengte (target height, TH) en de afstand van de gestalte van het kind tot de doellengte (doellengtegebied). Niettegenstaande de lengtegroei van een kind het resultaat is van een complexe interactie tussen de genetische achtergrond en omgevingsfactoren groeien de meeste kinderen volgens een zeer specifiek gemeenschappelijk patroon met een relatief kleine biologische variatie. Door het opvolgen van de groei en aandacht te hebben voor de doellengte kunnen we een verhoogd risico op een genetische afwijking (bv. primaire groeistoornissen) of een minder optimale omgeving opsporen. De uitdaging is echter om te voorspellen hoe een kind verwacht wordt te groeien rekening houdende met de gestalte van de (biologische) ouders.
Ongeveer 80% van de variatie in lengtegroei is genetisch bepaald (39). Een voor de hand liggende bron van informatie, om enige voorspelling te doen, is dus de gestalte van de ouders. Francis Galton gebruikte het verband tussen de gestalte van ouders en hun nakomelingen om de overerfbaarheid van fysieke karakteristieken (alsook de regressie naar het gemiddelde) te beschrijven (40) en introduceerde daarbij de term mid-oudergestalte. Dit concept wordt tegenwoordig nog steeds gebruikt voor de klinische evaluatie van de groei van kinderen. De mid- oudergestalte (het gemiddelde van de gestalte van beide ouders) is als dusdanig echter geen bruikbare parameter omwille van het verschil in volwassen gestalte tussen mannen en vrouwen. De doellengte wordt gedefinieerd als de mid-oudergestalte gecorrigeerd voor het geslachtsverschil (ongeveer 13 cm), en eventueel een seculaire toename (41). Dit is een puntschatting die echter niet aangeeft welke variatie of afwijking kan beschouwd worden als ‘normaal’. De normale variatie (95% van de populatie) wordt aangeduid als het doellengtegebied en werd initieel vastgesteld als de doellengte ± 8.5cm (41), nadien bijgesteld als ± 9 cm voor meisjes en ± 10 cm voor jongens (1). Dit is uiteraard een voorspelling voor de volwassen gestalte van de nakomelingen. Het is gebruikelijk om deze in het (jong)volwassen gebied van de referentiecurve aan te duiden en te extrapoleren naar jongere leeftijden. Op de Vlaamse Groeicurven 2004, is aan de rechterzijde een afzonderlijke as voorzien om de doellengte en het doellengtegebied aan te duiden (2).
Tegenwoordig wordt de gestalte meestal uitgedrukt als een z-score (= SD score, het aantal standaard deviaties onder of boven het gemiddelde). Wanneer we ook de gestalte van de ouders als een z-score uitdrukken vervalt de noodzaak om te corrigeren voor geslachts (en – afhankelijk van de curve die wordt gebruikt – ook de correctiefactor voor seculaire toename). De doellengte uitgedrukt als z-score is dan het gemiddelde van de gestalte z-scores van vader en moeder (de mid-ouder z-score) (3). Deze waarde moet echter worden gecorrigeerd voor regressie naar het gemiddelde (de correlatie tussen de gestalte van de ouders en hun kinderen) alsook voor gelijke partnerkeuze (assortatieve paring, de correlatie tussen de gestalte van beide ouders). De correlatie tussen de gestalte van ouders en die van hun kinderen wordt geschat op ongeveer 0.6, en die tussen de ouders onderling op ongeveer 0.3 (4). Hermanussen en Cole (5) kwamen aan de hand van deze cijfers op een correctiefactor van 0.72, en stelden verder vast dat de predictiefout ongeveer 0.82 SD bedraagt. De conditionele doellengte uitgedrukt als z-score is dus de Mid-ouder z-score x 0.72. Het conditioneel doellengtegebied is het 95% predictie-interval (goed voor 95% van de voorspellingen = gemiddelde ± 2xpredictiefout) dat wordt begrensd door de conditionele mid-ouder z-score x 0.72 ± 1.64.

Als kinderen opnieuw worden gemeten na een tijdsinterval van 3 jaar is het belangrijk om weten of een toename of een afname in z-score zorgwekkend is of niet en of nader onderzoek vereist. De groeicurve geeft dit niet aan. In normale omstandigheden is er een sterke correlatie tussen een meting op tijd-1 en tijd-2. Bij een interval van 12 maanden is bekend dat de correlatie tussen beide meetresultaten minstens 0.9 is (dit is erg hoog). Dit maakt het mogelijk om de gestalte op tijd-2 te voorspellen, rekening houdend met een zekere variatie/schommeling rond de voorspelde gestalte. Dit wordt de
conditionele toename in gestalte genoemd. Bijgevolg kunnen criteria worden opgesteld voor een toename of afname in gestalte die buiten de voorspelde variatie valt en dus zeldzamer is. Hoe groter het interval, vb. 3 jaar in de plaats van 1 jaar, hoe minder sterk de correlatie wordt tussen de gestalte op tijd-1 en de gestalte op tijd-2.

De conditionele toename in gestalte wordt berekend met kennis van de variatie (de standaarddeviaties) van de gestalte op tijd-2 en de correlaties tussen gestaltemetingen volgens de formule: Z2 = r
* Z1 ; Var(Z2) = 1 – r2 (Z2 = Zscore op tijd-2, r=correlatie, variatie rond gestaltemeting op tijd-2). De correlaties van de Franse longitudinale groeistudie (tabel 10) zijn getoetst aan de Vlaamse data van de groeistudie 2004 en kunnen worden gebruikt voor de Vlaamse populatie.

Op deze manier werd berekend dat de correlatie tussen een gestaltemeting op 6j en een meting op 3 jaar 0.91 is. De correlatie tussen een gestaltemeting op 9 jaar versus een meting op 6 jaar is 0.95 (tabel 10).
Met kennis van de conditionele groei kunnen uitspraken worden gedaan over de ‘normale’ variatie rond een voorspelde gestalte op tijd-2 en kan worden gesteld dat voor kinderen tot de leeftijd van 10 jaar een toename of afname in gestalte van meer dan 1 SD op een tijdsinterval van 3 jaar zeldzaam is. Deze variatie komt voor in minder dan 1% van de metingen en maakt dat het bruikbaar is als criterium voor verwijzing en nader onderzoek. Gezien de variatie in timing en intensiteit van de pubertaire groeispurt wordt dit criterium niet toegepast bij kinderen ouder dan 10 jaar.
Bij gestaltemetingen die boven + 2,5 SD vallen, spreken we van een (te) grote gestalte. De meest voorkomende oorzaken zijn de familiaal grote gestalte of een constitutionele voorsprong in de groei. Met uitzondering van obesitas zijn andere oorzaken van overgroei zeldzaam (43). Dit maakt de positief voorspellende waarde van een grote gestalte voor een specifieke pathologie klein.
Tenzij er een pathologische oorsprong is, behoeft een grote gestalte geen behandeling. Een behandeling, i.c. een reductie van de verwachte volwassen gestalte, kan wenselijk zijn wanneer de eindgestalte boven + 2,5 SD wordt geraamd. De beschikbare methodes voorspellen de eindgestalte met een zekere foutenmarge die tot 4 à 5 cm kan oplopen. Om deze foutenmarge te beperken, beveelt men groeipredicties pas aan vanaf de leeftijd van 10 à 12 jaar.
Naargelang de pubertaire status kan een behandeling bestaan uit een hormonale inductie van de puberteit of een heelkundige ingreep op de groeikraakbeenschijven.
De kleine postitief voorspellende waarde van de grote gestalte voor onderliggende pathologie, de variabele wens/noodzaak aan behandeling en de lage betrouwbaarheid van een te vroeg (te jong) eindgestaltevoorspellingsonderzoek maken dat dit criterium niet stelselmatig moet worden toegepast tijdens de systematische contacten. Dit ontslaat de CLB-medewerker niet om, in het geval van grote gestalte, bijzondere klinische aandacht te hebben voor de morfologische kenmerken van een kind die mogelijk expressie kunnen zijn van onderliggende (hormonale) pathologie of syndromaal lijden.
De grote gestalte blijft wel een bijkomend aandachtspunt voor kinderen van 11-12 jaar (6e leerjaar) omdat een eindgestaltevoorspelling vanaf deze leeftijd aan betrouwbaarheid wint en de behandelmogelijkheden tijdig kunnen worden overwogen.
De criteria voor een verstoorde pubertaire ontwikkeling zijn gebaseerd op de leeftijdsvariatie van een normale pubertaire ontwikkeling zoals die door Tanner en Davies werden beschreven (44). De data van de Vlaamse groeistudie 2004 onderschrijven deze variatie (45).
Men spreekt van te vroege tekens van pubertaire ontwikkeling bij meisjes wanneer vóór de leeftijd van 8 jaar een B2-score wordt genoteerd. Een B2-score komt overeen met een knopvormige, duidelijk palpeerbare zwelling onder de areola terwijl de peri-areolaire zone nog in volume toeneemt.
Men spreekt tevens van een te vroege puberteit bij meisjes wanneer vóór de leeftijd van 10 jaar menarche optreedt.
Men spreekt van te vroege tekens van pubertaire ontwikkeling bij jongens wanneer vóór de leeftijd van 9 jaar een G2-score SAMEN MET een testikelvolume van 4 ml of meer ( ≥ T4ml) wordt genoteerd.

Men spreekt van een te late pubertaire ontwikkeling bij meisjes wanneer op 13 jaar of ouder nog geen enkel teken van borstontwikkeling te zien is of m.a.w. niet minstens een B2-score kan worden genoteerd.
Men spreekt tevens van een te late pubertaire ontwikkeling bij meisjes wanneer op 16 jaar of ouder nog geen menarche is opgetreden.
Men spreekt van een late pubertaire ontwikkeling bij jongens wanneer op 14 jaar of ouder het testikelvolume niet minstens 4 ml heeft bereikt EN er niet minstens G2-score kan worden genoteerd.
Concreet betekent dit dat jongens ≥ 14 jaar met een T3mlG1, T4mlG1 of T3mlG2 moeten worden verwezen.

Zoals in de ‘Wetenschappelijke onderbouw voor de doelstellingen’ werd beargumenteerd, zal de detectie van een te vroege ontwikkeling van de puberteit ter gelegenheid van de systematische contacten gebeuren via de groeimonitoring. Een toename van de gestalte met méér dan 1 SD over het driejaren-interval, van 3 naar 6 jaar en van 6 naar 9 jaar, zal als indicator dienen om een verdiepend onderzoek aan te bieden als eerste stap in de differentiaal diagnostiek en de verantwoording van de verwijzing. In het bijkomend aanbod zal een onderzoek en scoring van de pubertaire status een vast onderdeel zijn.
De detectie van een late of trage ontwikkeling van de puberteit wordt gerealiseerd door een onderzoek en scoring van de pubertaire status tijdens het systematisch contact voor leerlingen van 14-15 jaar.
De ontwerptekst wordt vervolgens op 16 maart 2005 voorgelegd aan een adviesraad die zich zal uitspreken over de haalbaarheid van de richtlijnen in de CLB-context.
In deze adviesraad zijn vertegenwoordigd:
De Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg (VWVJ) ontwikkelt in opdracht van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gelijke Kansen standaarden voor een kwaliteitsvolle uitvoering van preventieve jeugdgezondheidszorg in de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB).
De standaard “Groei & Pubertaire ontwikkeling” is een handleiding bij de opvolging van de groei en de pubertaire ontwikkeling van schoolgaande kinderen in het algemeen, en meer specifiek bij de vroegdetectie van een afwijkende gestalte, een afwijkend groeipatroon en een gestoorde pubertaire ontwikkeling. Deze standaard bundelt niet alleen de beschikbare informatie voor de wetenschappelijke onderbouw van het programma, maar biedt ook richtlijnen voor een correcte uitvoering.
Voor de ontwikkeling van standaarden volgt de VWVJ een vooraf vastgelegde procedure:
In oktober 2001 startte een uitgebreid literatuuronderzoek gericht op het zoeken naar wetenschappelijke en/of professionele evidentie voor de opvolging van de groei en puberteit, met onder meer aandacht voor de pathologie die in aanmerking komt voor vroegtijdige detectie, en voor de methoden om dit te bereiken.. Dit leidde in januari 2002 tot een eerste ontwerp van theoretische achtergrond bij de richtlijn ten behoeve van de artsen en verpleegkundigen werkzaam in het CLB. Overlegrondes met de werkgroep, experts in de antropogenetica, de kinderendocrinologie en de genetica gaven aanleiding tot een correctie van de tekst ‘theoretische basis’ en de productie van een ontwerp van ‘concrete richtlijn’ in 2003.
De concrete richtlijn werd in een testfase getoetst aan de CLB-praktijk. In een kwalitatief onderzoek werden tussen maart en juni 2003 de biometrische en anamnestische gegevens van 435 dossiers geanalyseerd en werd het voorgestelde beleid op zijn éénduidigheid en haalbaarheid onderzocht. Dit resulteerde in een vernieuwd ontwerp ‘concrete richtlijnen’ in februari 2004.
Hierop volgden nieuwe overlegrondes met experts en de Raad van Beheer van de VWVJ. De teksten werden aangevuld met recente publicaties en verder verfijnd om te komen tot het document dat in maart 2005 aan de adviesraad wordt voorgelegd.
De stuurgroep ‘Vlaamse Groeicurven’ heeft een bijzondere rol gespeeld in de totstandkoming van de standaard. De vertegenwoordiging van de VWVJ in deze stuurgroep maakte het mogelijk om de verwijscriteria en het opvolgtraject binnen de CLB te doen aansluiten bij de keuzen die bij het opstellen van de Vlaamse groeicurven werden gemaakt.
Doelstelling: Het nieuwe decreet leerlingenbegeleiding stelt in het basisaanbod voor alle leerlingen een systematiek van 5 in plaats van 7 gegarandeerde contactmomenten voor. Deze nieuwe regelmaat vereist een nazicht van de standaard groei en puberteit en desgevallend bijsturing.
Beschrijving: Nazicht van de wetenschappelijke onderbouw, verwijscriteria en werkkaarten voor de groeimonitoring in de CLB’s in het licht van het nieuwe decreet leerlingenbegeleiding.
Verslag: De standaard en bijhorende aanbevelingen werden gecontroleerd in functie van de licht veranderde leeftijden waarop de systematische contacten plaatsvinden. De wetenschappelijke onderbouw werd onderzocht en nieuwe aanbevelingen werden opgesteld. Deze uitgebreide revisie vond plaats in overleg met volgende experts:
De vernieuwde standaard bestaat uit een theoretisch deel 1, een wetenschappelijke onderbouw (deel2), een technisch deel over de meet en weegtechnieken en het scoren van de puberteit (deel 3) en tenslotte een bundeling van de concrete richtlijnen per leeftijdscategorie van de systematische contacten.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Aliquam elementum viverra elit sed suscipit. Sed ultrices nisi vel dui congue mattis. Sed placerat ipsum eu lacinia eleifend. Mauris malesuada cursus sapien in sagittis. Curabitur et laoreet mi, ut dictum felis. Morbi tincidunt quam tellus, eget volutpat magna sollicitudin vel. Nulla suscipit est a bibendum ultrices. In et vulputate tortor.
Sinds 2003 ontwikkelt VWVJ de standaarden JGZ voor CLB volgens een vaste procedure. Ze dragen bij aan een kwaliteitsvol en uniform aanbod van jeugdgezondheidszorg. Nieuwe wetenschappelijke inzichten, wijzigingen in de wetgeving of context, signalen uit de praktijk of analyses van gezondheids- en procesindicatoren kunnen aanleiding geven tot een herziening.
Je vindt hier werkmaterialen die je ondersteunen in je dagelijkse praktijk. Ze bieden houvast bij preventie en zorg en helpen je om te communiceren met ouders, jongeren, scholen en behandelende artsen.
Je vindt hier alle VWVJ-werkmaterialen voor de kwaliteitszorg en organisatie van je CLB, overzichtelijk geordend volgens het referentiekader voor CLB-kwaliteit.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur.
In 2018 werd het regelgevend kader voor leerlingenbegeleiding door scholen en CLB’s vastgelegd. Daarbij werd het eerdere Besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 over de inrichting en uitrusting van de infrastructuur voor medische consulten door de CLB’s opgeheven.
Het huidige kader is opgenomen in het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2018 tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
Hoofdstuk V van dit besluit beschrijft de vereisten voor infrastructuur en uitrusting.
De omzendbrief van 14 juni 2019 over de operationalisering van de leerlingenbegeleiding verduidelijkt artikel 18 van het besluit.
In punt 5 staat dat:
Punt 2 van de omzendbrief, bij de toelichting bij artikel 2 van het besluit, beschrijft wat de decreetgever minimaal verwacht van scholen en CLB’s binnen het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg.
Scholen werken actief mee aan de organisatie en uitvoering van de systematische contacten en vaccinaties door het CLB. Dat kan bijvoorbeeld door afspraken te maken over het gebruik van de lokalen waar de contacten plaatsvinden.
Het lokaal, de uitrusting ervan en het medisch materiaal moeten beantwoorden aan de vereisten van de algemene hygiëne, van het comfort en de veiligheid van de personen op het vlak van:
Om het infectierisico te beperken, worden de volgende algemene regels nageleefd:
Rustige ruimte waarin visuele en auditieve prikkels beperkt zijn zodat de leerling niet afgeleid wordt.
De audiometrie wordt afgenomen in een rustige ruimte waarin de waarnemingsdrempel van de onderzoeker gelijk is of maximaal 10 dB hoger ligt, dan zijn/haar waarnemingsdrempel in stille omstandigheden.
Voor de afname van de SPIN-test vormt gering omgevingslawaai, zelfs met kortdurend stoorgeluid, geen probleem.
Een ruimte die voldoende groot is om de noodzakelijke afstand te respecteren die nodig is om het verzicht van de leerling te onderzoeken (3 à 6 m afhankelijk van de gebruikte test).
Het lokaal bevat ook een lavabo (handhygiëne), een plaats waar de leerling zich (met respect voor privacy) kan omkleden, stopcontacten en een goede internetverbinding.
Om het verzicht op een kwaliteitsvolle manier te onderzoeken, dient de test belicht te worden met een homogene verlichting van 500 lux zonder lichtreflectie. Dit kan via spotverlichting (twee 100 Watt spotlampen met een grote spreidingshoek die de kaart schuin van boven van ongeveer twee meter afstand bestralen).
Voor het onderzoek van het dieptezicht dient minimaal 1000 lux homogeen licht (zonder lichtreflectie) te schijnen op de test.
Voor het kleurzinonderzoek dient bijkomend de test belicht te worden door wit licht met een minimale lichtsterkte van 1500 lux.
In het lokaal waar de leerlingen ontkleed zijn, moet de regelbare verwarmingsinstallatie, bij alle weersomstandigheden, een temperatuur van +20° C kunnen voorzien.
Indien gevaccineerd wordt zijn er 2 bijkomende aandachtspunten, nl. de mogelijkheid om een leerling die dreigt flauw te vallen, comfortabel neer te leggen en een ruimte waar leerlingen tot 15 minuten na vaccinatie onder toezicht van een volwassene kunnen wachten zonder dat ze hiervoor de trap dienden te nemen.
Laatste revisie: februari 2026
af te stemmen met Heidi
Via Testaankoop vind je een handig overzicht van de kostprijs en terugbetaling voor consultaties bij een specialist Medisch consult: kosten en vergoeding. Aanvullende informatie is beschikbaar via de website van het RIZIV.
Voor kinderen met een voorkeurregeling (verhoogde tegemoetkoming) en een globaal medisch dossier (GMD) geldt:
Een verwijzing door een arts met een 000- of 009-bevoegdheidscode heeft geen invloed op de kostprijs van de raadpleging.
Laatste revisie: oktober 2026
Voor de CLB-praktijk wordt geadiviseerd om gestalte en gewicht bij kinderen van allochtone afkomst op de Vlaamse Groeicurven te plotten.
In geval van te kleine gestalte kan het plotten op een curve gebaseerd op metingen bij kinderen van allochtone afkomst, helpen bij de beoordeling of er moet worden verwezen. In principe hoeft de verpleegkundige nooit te plotten op de ‘allochtone’ curven. Het is aan de arts om te oordelen of herplotten nodig is. Dit zal pas het geval zijn bij een bijzonder kleine gestalte (duidelijk onder de -2.5 sds) die onder het doellengtegebied valt. Tot tegenbericht worden hiervoor de curves voor jongeren van Turkse of Marokkaanse afkomst uit de Nederlandse groeistudie gebruikt. Deze curves vind je via TNO.nl.
Laatste revisie: november 2026
Wat kan ertoe bijdragen dat een kind/jongere na doorverwijzing het wenselijke vervolgtraject en de nodige onderzoeken krijgt aangeboden?
Een goede doorverwijzing realiseren is zeker geen eenvoudige opdracht. Wil men komen tot een geslaagde doorverwijzing, dan zijn uitleg aan en overleg met de betrokkenen ten zeerste wenselijk. Het is belangrijk dat de verwijzer (CLB) de beweegredenen en het beoogde vervolgtraject kan verduidelijken naar de ouders toe. Het is eveneens belangrijk deze informatie te kunnen delen met de behandelende arts (mits instemming van de ouders), zodat deze het vervolgtraject verder kan ondersteunen en begeleiden. Hier worden enkele aandachtspunten geformuleerd die kunnen bijdragen tot het bewerkstelligen van een goede opvolging:
Laatste revisie: 19-10-2026
Voor de CLB-praktijk adviseren we om de lengte en het gewicht van kinderen van allochtone afkomst op de Vlaamse groeicurven te plotten.
Bij een kleine gestalte kan het nuttig zijn om de lengte ook te plotten op een groeicurve die gebaseerd is op metingen bij kinderen van allochtone afkomst. Dit helpt om te beoordelen of een verwijzing nodig is.
Als verpleegkundige hoef je deze bijkomende groeicurven niet te gebruiken. De arts beoordeelt of herplotten nodig is. Dat is pas aan de orde bij een bijzonder kleine gestalte (duidelijk onder -2,5 SDS) die ook onder het doellengtegebied valt.
Tot tegenbericht gebruiken we hiervoor de groeicurven voor jongeren van Turkse of Marokkaanse afkomst uit de Nederlandse groeistudie. Je vindt deze via TNO.
Laatste revisie: januari 2017
Bij kinderen met obesitas mogen de voeten zo ver uit elkaar staan als nodig is om beide knieën naast elkaar te kunnen strekken. Vermijd dat het kind één knie buigt om de voeten dichter bij elkaar te brengen.
Kinderen met obesitas hebben vaak een uitgesproken holle onderrug (hyperlordose), gecombineerd met een bolle bovenrug (kyfose).
Let er bij het meten op dat het kind goed rechtop staat, met de billen en schouderbladen tegen de wandplaat. Je hoeft de kuiten en het hoofd niet tegen de wand te forceren. Zorg er wel voor dat het hoofd correct gepositioneerd is, met het Frankfurt-vlak horizontaal.
Laatste revisie: November 2006
De lengte van een kind kan in de loop van de dag afnemen. Voss en Bailey onderzochten dit in een studie die in 1997 verscheen in Archives of Disease in Childhood.
De belangrijkste bevindingen:
Door te stretchen neemt de gemeten lengte gemiddeld met 0,3 cm toe. Tegelijk worden de verschillen tussen metingen door verschillende onderzoekers groter. De betrouwbaarheid van de meting neemt dus af.
Het doel is niet om de maximaal mogelijke lengte te meten, maar om een meting uit te voeren die dezelfde of een andere onderzoeker gemakkelijk kan herhalen.
Meer lezen: Diurnal variation in stature: is stretching the answer?, Voss en Bailey, 1997.
Laatste revisie: November 2006
Een meisje heeft een normale borstontwikkeling (B4) en heeft haar eerste menstruatie gehad, maar vertoont nog geen pubisbeharing (P1). Is verder onderzoek nodig?
Nee. De afwezigheid van pubisbeharing is op zich geen reden voor verwijzing als het meisje zich verder normaal ontwikkelt.
De puberteit is een ontwikkelingsperiode die uiteindelijk leidt tot volwassen vruchtbaarheid. De pubertaire ontwikkeling en vruchtbaarheid worden aangestuurd door de hypothalamus-hypofyse-gonadale as.
Pubisbeharing ontstaat onder invloed van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras. Wanneer deze as nog niet actief is, vormt dat geen belemmering voor de verdere pubertaire ontwikkeling.
Hou er ook rekening mee dat de mate van pubis- en okselbeharing sterk kan verschillen tussen personen en bevolkingsgroepen.
Laatste revisie: December 2005
Beide teelballen zijn niet altijd even groot. Meestal is het verschil beperkt tot één volumestap op de orchidometer, bijvoorbeeld 8 ml rechts en 6 ml links.
Een verschil in teelbalvolume kan verschillende oorzaken hebben. Zo kan een varicocèle leiden tot een kleinere teelbal (hypotrofie). Ook een eerdere operatie aan een niet-ingedaalde teelbal (cryptorchidie) kan hypotrofie veroorzaken.
Hoe ga je hiermee om?
Welk teelbalvolume gebruik je voor de T-score?
In het kader van de groeistudie werd geadviseerd om het volume van de rechterteelbal te gebruiken voor de T-score.
Is er vanuit de anamnese een verklaring voor een kleinere rechterteelbal? Dan geeft het volume van de linkerteelbal een betrouwbaarder beeld van de werkelijke pubertaire ontwikkeling.
Als schoolarts controleer je altijd de aanwezigheid en het volume van beide teelballen.
Let op mogelijke verschillen in de pubertaire ontwikkeling
Beoordeel het teelbalvolume altijd samen met de ontwikkeling van de penis en het scrotum. Zo kan je eventuele discrepanties vaststellen.
Meer informatie vind je in de Standaard, deel 1, p. 21-23.
Aandachtspunt bij de meting
Het teelbalvolume correct inschatten en scoren is bijzonder moeilijk. Voor een betrouwbare meting moet je de teelbal manueel goed isoleren van de omliggende weefsels en structuren in het scrotum.
Hou daarbij rekening met de bijbal en mogelijke afwijkingen, zoals een varicocèle, scrotale liesbreuk, hydrocele of tumor.
Meer lezen: Oosterlinck W. en Hoebeke P., Varicocoele bij kinderen en adolescenten: behandeling of niet?, Tijdschrift voor Geneeskunde, 1997, 53(6): 389-391.
De richtlijnen voor groeivertraging zijn alleen van toepassing op prepubertaire kinderen. Tijdens de puberteit is het moeilijker om pathologische groeivertraging op basis van de groeicurven te herkennen.
Waarom gelden de richtlijnen niet tijdens de puberteit?
De Vlaamse groeicurven zijn opgesteld op basis van transversale meetgegevens. Vanaf de leeftijd van 8 à 9 jaar bevatten deze gegevens zowel metingen van jongeren die al in hun groeispurt zitten als van jongeren bij wie de groeispurt nog niet gestart is.
Door deze metingen samen te nemen, worden de uitersten in de groeicurven uitgevlakt.
Dat heeft gevolgen voor de interpretatie:
Deze schommelingen kunnen deel uitmaken van de normale pubertaire ontwikkeling. Daarom wordt groeivertraging volgens de richtlijn niet opgespoord tijdens het pubertaire leeftijdsinterval (L6 en S3).
Wat is een belangrijk klinisch aandachtspunt?
Ook bij jongeren met een latere pubertaire ontwikkeling mag je verwachten dat hun lengte jaarlijks met minstens 3 cm toeneemt.
Laatste revisie: juli 2026

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent nec odio ut purus volutpat facilisis pulvinar et nunc. Morbi lectus risus, maximus a volutpat id, vulputate in nisi.
