Vaccinatie
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent nec odio ut purus volutpat facilisis pulvinar et nunc. Morbi lectus risus, maximus a volutpat id, vulputate in nisi.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent nec odio ut purus volutpat facilisis pulvinar et nunc. Morbi lectus risus, maximus a volutpat id, vulputate in nisi.
Deze standaard beschrijft hoe de CLB hun vaccinatieopdracht op een kwaliteitsvolle wijze dienen te vervullen. De opdracht van de CLB’s wordt bepaald in het decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding van 25 juni 2018 en het BVR wet: Besluit van de Vlaamse Regering tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
Om het ontstaan en de verspreiding van besmettelijke ziekten tegen te gaan, controleert het centrum de vaccinatiestatus van de leerling en biedt het vaccinaties en inhaalvaccinaties aan. De ‘Standaard Vaccinaties’ vormt daarbij de leidraad voor elk centrum. De bevoegde diensten van de Vlaamse Regering stellen de ‘Standaard Vaccinaties’ ter beschikking.
Vaccineren omvat veel verschillende aspecten, gaande van de juiste indicatie tot het aanbieden van een vaccin, de voorwaarden voor een correcte toestemming tot vaccinatie, bewaren en bestellen van vaccinaties, vaccinatietechniek, enz.
De vaccinatieopdracht van de CLB geldt uitsluitend voor vaccins binnen het Vlaamse basisvaccinatieschema. De Vlaamse regering legt het vaccinatieschema vast.
Tevens kan vaccinatie door CLB kaderen in het aanbieden van post-exposure vaccinatie van een vaccin dat geen deel uitmaakt van het basisvaccinatieschema (vb Hepatitis A vaccinatie) als profylactische maatregel bij een uitbraak.
CLB hebben de wettelijke opdracht om vaccinaties uit het basisvaccinatieschema aan te bieden aan alle leerlingen die ingeschreven zijn in een basis en secundaire school die de Vlaamse Overheid erkent, subsidieert en financiert. Ook leerplichtige leerlingen die huisonderwijs volgen krijgen het basisvaccinatie aanbod via een CLB.
Elke CLB-medewerker die op één of andere manier betrokken is bij het vaccinatieproces is gebruiker van deze standaard. Uiteraard is het vaccineren zelf, de technische handeling, enkel mogelijk door bevoegd personeel. Niet-medisch personeel kan een rol opnemen in het bestellen en bewaren van vaccins, administratieve taken zoals personaliseren en verdelen van toestemmings- of bevestigingsbrieven enz.
Het vaccineren van schoolpersoneel, studenten uit hoger of volwassenonderwijs of kinderen van voorschoolse leeftijd, maakt geen deel uit van de opdracht van CLB.
In Vlaanderen verlopen de vaccinaties van het basisvaccinatieschema en de herhalingsinentingen via twee kanalen:
De vaccins in het Vlaamse basisvaccinatieschema voor kinderen worden door de Vlaamse overheid gratis en zonder voorschrift ter beschikking gesteld aan alle artsen. Ook voor volwassenen stelt de Vlaamse overheid vaccins gratis ter beschikking. De situaties waarin vaccins gratis besteld kunnen worden door artsen voor volwassenen zijn beschreven op de website van het Departement Zorg Gratis vaccins in Vlaanderen.
De vaccinatie zelf is gratis wanneer zij wordt toegediend in een van de vermelde preventieve diensten, een individuele arts kan hiervoor een raadpleging aanrekenen.
Vaccinaties die geen deel uitmaken van het basisvaccinatieschema worden ook aangeboden bij individuele artsen of op consultaties voor reisgeneeskunde, maar kunnen niet worden toegediend door de georganiseerde preventieve diensten.
De doelstellingen van de richtlijnen zijn:
Het universeel basisaanbod per cohorte is het nagaan van de vaccinatiestatus en het aanbieden van de basisvaccinatie. Een aangepast aanbod voor leerlingen van wie de vaccinatiestatus afwijkt is de inhaalvaccinatie. Hieronder wordt beschreven welk vaccin het CLB aanbiedt aan welke leerling en hoe de vaccinatiestatus wordt geëvalueerd.
Ga de vaccinatiestatus systematisch na bij volgende leerlingen:
De persoon die de vaccinatiestatus nagaat moet beoordelen of iemand volledig volgens het huidige aanbevolen vaccinatieschema werd gevaccineerd en/of nagaan of bijkomende vaccinaties nodig zijn om eenzelfde bescherming te garanderen als die van personen die volledig gevaccineerd werden volgens het basisvaccinatieschema. Alleen de digitale registratie in Vaccinnet of een betrouwbaar document met de naam of het type van het vaccin en de datum van toediening kan de vaccinatiestatus van een persoon attesteren. Zie 5.Verdiepend informatie voor Basisvaccinatieschema in andere regio’s en landen. De volgende 4 basisregels kunnen hierbij vooropgesteld worden (Zie advies HGR Inhaalvaccinatie):
Regel 1: Het is beter iemand als niet gevaccineerd te beschouwen dan foutief te denken dat hij/zij wel gevaccineerd is.
Wanneer men niet kan documenteren dat de vaccinatie plaatsvond, dan is de inhaalvaccinatie een aanvaardbare optie.
Regel 2: Een onderbreking impliceert niet het herbeginnen van de hele reeks vaccins, noch het toevoegen van bijkomende dosissen.
In principe zal men bij het onderbreken van een basisvaccinatieschema de vaccinatie voortzetten vanaf het punt waar men de vaccinatiereeks gestopt is, ongeacht de tijd die verstreken is sinds de laatst toegediende dosis.
Regel 3: De kwaliteit van de verkregen immuniteit hangt af van het respecteren van de vereiste minimumleeftijd bij een eerste dosis, van het minimuminterval tussen twee dosissen en van het ontvangen aantal dosissen, inclusief een herhalingsdosis voor bepaalde vaccins.
Dosissen die te vroeg werden toegediend (zie tabel 2) dienen opnieuw toegediend te worden. Het aantal aanbevolen dosissen hangt bovendien af van de leeftijd.
Regel 4: Het gebruik van gecombineerde vaccins bevordert in het algemeen een betere opvolging van het vaccinatieschema en vereist minder inspuitingen.
Het gebruik van deze gecombineerde vaccins heeft soms tot gevolg dat men een bijkomende dosis toedient voor één of meerdere van de bestanddelen van het combinatievaccin. Dat is niet schadelijk voor de betrokkenen.
Het is in Vlaanderen uitzonderlijk dat een kind geen enkel vaccin gekregen heeft. Meestal zal men over gegevens van eerder toegediende vaccins beschikken. Vooraleer een inhaalschema op te stellen moet de kwaliteit van de tot dan toe uitgevoerde vaccinaties beoordeeld worden. Tabel 2 geeft een overzicht van de criteria die in acht genomen moeten worden bij de beoordeling van de geldigheid van deze vaccinaties. Deze criteria hebben betrekking op de minimumleeftijd waarop een eerste dosis van een vaccin werd toegediend en de minimumintervallen die men in acht moet nemen voor opeenvolgende dosissen. De minimum leeftijden en intervallen in tabel 2 zijn strikt te interpreteren: wanneer bv. een interval van 4 weken wordt aangegeven, wordt hiermee een periode van 28 dagen tussen de dosissen bedoeld.
De dosissen die meer dan 5 dagen vóór de aangegeven minimumleeftijd of 5 dagen vóór het einde van het aanbevolen minimuminterval werden toegediend, worden als ongeldig beschouwd.
Ongeldige dosissen moeten opnieuw toegediend worden na het bereiken van de minimumleeftijd en met inachtneming van een correct minimuminterval. Dit betekent dat er opnieuw een volledig minimuminterval gerespecteerd dient te worden vanaf de toediening van de ongeldige dosis.
Deze criteria zijn geen aanduiding van de aanbevolen intervallen voor inhaalvaccinatie!
Tabel 2 Overzicht van de criteria die vaccinatoren in acht moeten nemen om de geldigheid van eerder toegediende vaccindosissen te beoordelen. (op basis van de HGR (2013) en in overleg met experten aangepast aan de huidige vaccinatiekorf en aan latere adviezen van de HGR)
| Te valideren vaccin | Minimumleeftijd van het kind voor deze dosis | Minimuminterval voor de volgende dosis |
| DTPa-VHB-IPV1-Hib12 | 6 weken | 4 weken |
| DTPa-VHB-IPV-Hib23 | 10 weken | 4 weken |
| DTPa-VHB-IPV-Hib3 | 14 weken | 6 maanden |
| DTPa-VHB-IPV-Hib4 | 50 weken | – |
| DTP4-IPV5 | – | – |
| dTp6 | 13 jaar | – |
| HBV1 | Geboorte | 4 weken |
| HBV2 | 4 weken | 8 weken |
| HBV3 | 16 weken | – |
| MBR17 | 50 weken | 4 weken |
| MBR2 | 1 jaar + 4 weken | – |
| MenC of MenACWY8 | 12 maanden5 | – |
| HPV19 | 9 jaar | 5 maanden |
| HPV2 | jaar + 5 maanden | – |
1 Voor poliovaccinatie is de toediening van 3 vaccindosissen vóór de leeftijd van 18 maanden bij wet verplicht. 2 dosissen met 8 weken tussentijd tijdens het eerste levensjaar, met daarop volgend een derde dosis tussen de leeftijd van 12 en 18 maanden. Zowel intramusculair poliovaccin (IPV) als oraal poliovaccin (OPV) zijn geldig, maar voor OPV is een bijkomende vereiste. Aangezien vanaf 2016 het OPV geen poliovirus type 2 bevat dient er minstens één OPV van vóór 2016 te zijn toegediend ofwel minstens één IPV te zijn toegediend.
2 Vaccinatie tegen Hemophilus influenzae type B moet niet meer ingehaald worden na de leeftijd van 2 jaar, behalve bij kinderen met een verhoogd risico op invasieve infecties (Zie advies HGR Haemophilus influenzae type b). Er is anderzijds geen bezwaar tegen vaccinatie tegen Hib met het hexavalent vaccin DTPa-IPV-HBV-Hib na de leeftijd van 2 jaar.
3 Een basisschema met 3 dosissen in plaats van 4 is ook mogelijk. Voorwaarden zijn dat de minimumleeftijd voor D1 6 weken is én dat het minimuminterval tussen D1 en D2 8 weken is. D3 is pas geldig op de minimumleeftijd van 50 weken en indien minstens 6 maanden na D2 toegediend.
4 DTP zonder vermelding “a” of “w” betekent dat het vaccin ofwel het acellulair (a) of het volcellig vaccin (w) bevat.
5 Een DTPa-IPV boosterdosis is aanbevolen op de leeftijd van 5-7 jaar. Deze hoeft niet te worden aangeboden als een DTPa-IPV gegeven werd ná de leeftijd van 4 jaar.
6 De primaire vaccinatie of een herhalingsdosis kan gebeuren met een DTPa-IPV vaccin voor kinderen jonger dan 13 jaar. Hoewel volgens de bijsluiter de minimumleeftijd voor toediening van het dTpa vaccin 4 jaar is, biedt het onvoldoende bescherming tegen de betreffende infecties in een primovaccinatie omwille van de lagere dosering van de difterie- en pertussis componenten. Daarom moet bij kinderen jonger dan 13 jaar de voorkeur gegeven worden aan een DTPa-IPV (of DTPa-IPV-HBV-Hib) vaccin als basisvaccinatie.
7 Indien een MBR werd toegediend tussen de leeftijd van 6 maanden en 50 weken in het kader van een reis naar een endemisch gebied, dan geldt deze niet als volwaardige eerste dosis.
8 Voor MenC of MenACWY vaccinatie wordt 1 dosis in het tweede levensjaar aanbevolen, ook indien het kind één of meerdere dosissen kreeg vóór de leeftijd van 12 maanden.
9 Voor Gardasil-9 kan een schema van 2 doses worden toegediend aan kinderen van 9 tot en met 14 jaar, met een minimuminterval van 5 maanden, bij voorkeur een interval van 6 maanden. Na de leeftijd van 14 jaar dienen 3 doses te worden toegediend, maar een alternatief inhaalschema met twee doses kan ook worden aanbevolen tussen de leeftijd van 15 tot en met 18.
Bied de vaccinaties die opgenomen zijn in het Vlaamse basisvaccinatieschema systematisch aan. Het meest recente basisvaccinatieschema kan je vinden op de website van het Vlaams Departement Zorg. De ouders en leerlingen worden schriftelijk geïnformeerd over de aard en de bedoelingen van de vaccinatie. Het centrum dient de vaccinaties toe op voorwaarde dat het daarvoor de toestemming heeft gekregen. (zie Toestemming voor vaccinatie in het CLB)
Dit aanbod is klassikaal na een brede communicatie en vraagt een nauwe samenwerking met de school.
Om sommige leerlingen te kunnen vaccineren is een intensiever aanbod op maat noodzakelijk om de vaccinatiegraad te verhogen, zoals bijvoorbeeld:
Leerlingen die een atypisch traject volgen in hun onderwijsloopbaan lopen het risico om de basisvaccinatie te missen. Voorzie waar mogelijk een supplementair aanbod. Denk bijvoorbeeld aan:
Voor deze doelgroep wordt omwille van praktische redenen voorgesteld om de vaccinatiemomenten te laten samenvallen met de systematische contacten (zie omzendbrief over de Operationalisering van de leerlingenbegeleiding)
In haar advies van 2013 (Inhaalvaccinatie – Hoge Gezondheidsraad) heeft de HGR aanbevelingen geformuleerd om in alle gevallen waar het aanbevolen vaccinatieschema niet of onvolledig werd gevolgd, de vereiste inhaalvaccinaties op de meest rationele manier te kunnen aanbieden. Hieronder volgt wat relevant is voor CLB. Bij de beoordeling van de vaccinatiestatus kunnen zich 3 verschillende situaties voordoen:
Om een individueel aangepast inhaalvaccinatieschema op te stellen, moet men:
Het inhaalvaccinatieschema dient steeds zo kort mogelijk te zijn, om de beste garantie te bieden dat de gewenste bescherming zo snel mogelijk wordt bereikt.
Tabel 3 Volledig inhaalschema voor kinderen van 2 tot en met 12 jaar (HGR Advies inhaalvaccinatie (2013) en basisvaccinatieschema (update 2021))
| Vaccin | Aanbevolen interval | |
| Tussen dosis 1 en dosis 2 | Tussen dosis 2 en dosis 3 | |
| DTPa-IPV-HBV-Hib1 | Minstens 8 weken | 6 maanden – dosis 3 wordt op de minimumleeftijd van 50 weken toegediend |
| DTPa-IPV | Minstens 8 weken | 6 maanden – dosis 3 wordt op de minimumleeftijd van 12 maanden toegediend |
| IPV | Minstens 8 weken | 6 maanden – dosis 3 wordt op de minimumleeftijd van 50 weken toegediend |
| HBV2 | Minstens 4 weken | 8 weken – dosis 3 minimum 16 weken na dosis 1 |
| MBR3 | Eén of twee dosis | |
| MenACWY | Eén dosis | |
1 Hib is niet meer aanbevolen na 2 jaar behalve bij kinderen met een verhoogd risico op invasieve infecties (Zie advies HGR Haemophilus influenzae type b). Toch geniet ook na de leeftijd van 2 jaar in het kader van inhaalvaccinatie het hexavelent vaccin de voorkeur boven DTPa-IPV.
2 HBV: als het kind afkomstig is uit een endemisch land voor HBV (onder andere in geval van adoptie) wordt best eerst een HBsAg bepaling uitgevoerd.
3 MBR: zelfs indien men één van deze infectieziekten heeft doorgemaakt, is de vaccinatie met een MBR- vaccin aangewezen. Voor kinderen vanaf het 2de leerjaar is een tweede dosis MBR aanbevolen met minstens 4 weken tussen dosis 1 en dosis 2.
Zie Registratieformulier voor leerlingen van 2 tot en met 12 jaar
Tabel 4 Volledig inhaalschema voor kinderen vanaf 13 jaar tot het einde van het secundair onderwijs. (HGR 2013, 2021)
| Vaccin | Aanbevolen interval | |
| Tussen dosis 1 en dosis 2 | Tussen dosis 2 en 3 | |
| dTpa1 | Minstens 4 weken | 6 maanden |
| IPV6 | Minstens 8 weken | 6 maanden |
| HBV2 | Minstens 4 weken | 8 weken; en dosis 3 minimum 16 weken na dosis 1 |
| MBR3 | Minstens 4 weken | – |
| MenACWY4 | Eén dosis | |
| HPV5 | Minstens 5 maanden | |
1 Na de basisvaccinatie is een herhalingsinenting aangewezen ten laatste na 10 jaar.
2 HBV: Bij jongeren vanaf de leeftijd van 16 jaar moet een hepatitis B vaccin met dosering voor volwassenen gebruikt worden in een schema met 3 dosissen. Bij 11-15 jarigen kan het klassieke drie dosissenschema met een pediatrische dosis vervangen worden door een schema met 2 vaccindosissen voor volwassenen, met minstens 6 maanden interval.
3 MBR: zelfs indien men één van deze infectieziekten heeft doorgemaakt, is de vaccinatie met een MBR-vaccin aangewezen. Bij vrouwen op vruchtbare leeftijd moet zeker de vaccinatiestatus voor MBR worden nagegaan. Bij vaccinatie van vrouwen die zwanger kunnen worden moet gedurende minstens 1 maand anticonceptie worden voorzien.
4 MenC of MenACWY: wanneer wordt vastgesteld dat deze vaccinatie nog niet werd uitgevoerd, kan 1 dosis onmiddellijk worden toegediend.
5 Gardasil-9 voor leerlingen in 1e en 3e middelbaar of tot en met 14 jaar. Voor Gardasil9 kan een schema van 2 doses worden toegediend aan kinderen van 9 tot en met 14 jaar, met een minimuminterval van 5 maanden, bij voorkeur 6 maanden. Na de leeftijd van 14 jaar dienen 3 doses te worden toegediend. Een alternatief inhaalschema met twee doses kan ook worden aanbevolen tussen de leeftijd van 15 tot en met 18 jaar.
Zie Registratieformulier voor leerling van 13 tot en met 15 jaar en Registratieformulier voor leerling van 16 tot het einde van het secundair onderwijs
Er wordt een volledig inhaalschema aangeboden wanneer er geen bewijs is van enige valide vaccinatie, omdat geen enkel van de aanbevolen vaccins werd toegediend of op een valide manier werd toegediend of omdat dit niet gedocumenteerd is.
Zolang een kind nog geen 5 maanden oud is, blijft het basisvaccinatieschema onverkort gelden en leidt elke vertraging van de vaccinatie alleen maar tot uitstel van de eerste 3 dosissen van het schema.
Indien met vaccinatie wordt gestart op de leeftijd van 5 maanden of later verschillen de inhaalschema’s op een aantal punten van het basisvaccinatieschema:
Men houdt in alle gevallen rekening met de vaccins die ter beschikking worden gesteld door de Vlaamse Overheid.
In tabellen 3 en 4 is het volledig inschaalschema weergegeven voor respectievelijk kinderen van 2 tot en met 12 jaar en voor kinderen vanaf 13 jaar tot einde secundair onderwijs.
Zodra de inhaalvaccinatie is uitgevoerd, wordt verder gevaccineerd volgens het basisvaccinatieschema.
Voor het opstellen van een inhaalvaccinatieschema voor een kind dat reeds een aantal vaccins kreeg toegediend, zal men steeds vertrekken van een volledig inhaalvaccinatieschema en dit verder aanpassen aan de vaccinatiestatus van die persoon, in het bijzonder aan de vroeger toegediende en gevalideerde vaccins. Men vult dus alle ontbrekende of ongeldige dosissen aan, vanaf het moment waarop men dit ontbreken vaststelt.
Enkele veel voorkomende situaties:
Indien je afwijkt van een volledig inhaalschema en een aangepast inhaalvaccinatieschema opstelt, houd er dan steeds rekening mee dat niet alle vaccins gelijktijdig mogen toegediend worden. Bovendien dienen minimale intervallen tussen 2 verschillende vaccins gerespecteerd te worden. Zie 5.Verdiepende informatie voor meer details over Simultaan vaccineren en Intervallen.
Hieronder wordt beschreven waaraan moet voldaan worden om een leerling te vaccineren. Zo moet er steeds een geldige toestemming zijn en er mag geen absolute contra-indicatie bestaan om de leerling te vaccineren.
Hieronder volgt een kort overzicht van de algemene uitgangspunten. Onder 5. Verdiepende informatie vind je meer uitgebreide toelichting over de toestemming tot vaccinatie.
Volgens de wet betreffende de rechten van de patiënt van 22/08/2002, gewijzigd door de wet van 06/02/2024, heeft de persoon die toestemming geeft voor vaccinatie, recht op informatie over onder meer het doel, de aard, de duur en de frequentie, de kostprijs van de vaccinatie en over mogelijke bijwerkingen en risico’s van de vaccinatie. Dit laatste loont zeker de moeite, want ouders die goed zijn voorgelicht geven significant vaker aan dat de bijwerkingen bij hun kind zijn meegevallen dan ouders die onvoldoende zijn voorgelicht (7). Er bestaat geen regelgeving of advies om te bepalen welke bijwerkingen vermeld moeten worden. Advies van Prof Nys kun je lezen onder 5. Verdiepende informatie Welke informatie bij toestemming?.
De wet betreffende de rechten van de patiënt geeft hierover meer duidelijkheid. Passages uit die wet worden hieronder vermeld en vertaald naar de praktijk.
Ouders en jongeren krijgen gerichte schriftelijke of mondelinge informatie over het (de) aanbevolen vaccin(s). De informatie over het aanbevolen vaccin is ook begrijpelijk voor mature minderjarige leerlingen.
De inhoud van de voorbeeldbrieven (VWVJ) bevatten minimaal de hierboven beschreven informatie. In de voorbeeldbrieven (VWVJ) wordt ook vermeld dat meer uitleg kan verkregen worden over de vaccinatie via het CLB of via Vaccineren? Jij weet waarom. | Departement Zorg
In de voorbeeldbrieven (VWVJ) zijn verschillende keuzemogelijkheden voorzien: toestemming voor vaccinatie door CLB, vaccinatie door huisarts/kinderarts of reeds gevaccineerd, weigering.
De persoon die toestemming kan geven, heeft de kans zijn keuze te herroepen na een toestemming of weigering.
Een geïnformeerde toestemming voor vaccinatie wordt in CLB meestal schriftelijk gegeven, maar kan ook mondeling. Noteer steeds de mondelinge toestemming voor vaccinatie in het leerlingendossier.
De identiteit van de persoon die toestemming geeft of weigert, wordt vermeld op de toestemmingsbrief of wordt genoteerd in het leerlingendossier indien de toestemming of weigering mondeling verloopt.
Een geïnformeerde handelingsbekwame leerling kan impliciet toestemming geven door zich te begeven naar de plaats waar gevaccineerd wordt of omgekeerd weigeren door dit niet te willen.
Enkele concrete situaties:
| Ouders/wettelijke voogd | Handelingsbekwame minderjarige leerling | Wat doet CLB? |
| Toestemming | Geeft impliciet toestemming door zich naar vaccinatieplaats te begeven | Vaccineert Informeert ouders/voogd hiervan |
| Toestemming | Weigert | Vaccineert niet Informeert ouders/voogd hiervan tenzij leerling dit weigert* |
| Geen toestemming | Wil gevaccineerd worden | Geeft informatie in duidelijke taal Vaccineert Informeert ouders/voogd hiervan tenzij leerling dit weigert* Aan te bevelen om een schriftelijke toestemming te vragen aan de leerling |
*Hier geldt het beroepsgeheim ten aanzien van de ouders. Informeer de leerling waarom het zinvol zou kunnen zijn de ouder(s) of voogd toch te informeren.
Tenzij het CLB actief verwittigd wordt van het tegenovergestelde, mag het CLB veronderstellen dat er gezamenlijk ouderlijk gezag is. Het CLB mag dan bij een toestemming voor vaccinatie van één van de ouders ervan uitgaan dat dit in onderling overleg gebeurde. Als er geen onderling overleg is, dan dienen de ouders hier eerst onderling een oplossing voor te vinden, in uitzonderlijke situatie via de rechtbank. Enkel in het geval dat één van de ouders ontzet is uit de ouderlijke macht of dat één van de ouders het exclusief ouderlijk gezag gekregen heeft, kan één ouder zelfstandig beslissen zonder akkoord van de andere. In deze twee situaties moet een vonnis worden voorgelegd aan het CLB.
Meer info vind je onder 5. Verdiepende informatie Wie mag de toestemming geven?
Als vaccinatoren geconfronteerd worden met ouders of adolescenten die vaccinaties weigeren of een afwijking van het normale schema wensen, dan tracht men in dialoog tot de best mogelijke oplossing te komen (1).
Daarbij zijn drie uitgangspunten belangrijk:
Meer info vind je onder 5. Verdiepende informatie Vaccinatietwijfel
(Zie Anafylactische shock bij vaccinatie van kinderen – Hoge Gezondheidsraad)
Bij absolute contra-indicaties is vaccinatie door het CLB uitgesloten. In sommige gevallen kan overwogen worden wel in hospitaalmilieu te vaccineren.
Bij relatieve contra-indicaties moet altijd een afweging worden gemaakt tussen enerzijds de mogelijke nadelen van de vaccinatie (zoals bijwerkingen en verminderde immuunrespons na vaccinatie) en anderzijds de risico’s van het niet geven van een vaccinatie. Iedere onterechte contra-indicatie betekent een gemiste kans.
De aanwezigheid van een contra-indicatie wil niet zeggen dat de vaccinatie definitief moet geschrapt worden. Contra-indicaties kunnen blijvend of voorbijgaand zijn, herevalueer daarom bij elke vaccinatiegelegenheid de contra-indicatie.
Door het correct detecteren van contra-indicaties voorkomt men dat leerlingen onterecht een vaccin wordt onthouden en andere leerlingen onnodig aan te grote risico’s worden blootgesteld. Om te weten of deze leerling, op dit moment dit vaccin mag ontvangen, moet een (schriftelijke) anamnese worden afgenomen waarin relevante vragen worden gesteld. Dit kan aan de hand van toestemmingsbrieven.
Om het risico op anafylaxie na vaccinatie te beperken, gelden voor alle vaccins minimum twee absolute contra-indicaties:
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vaccins die momenteel of in het verleden deel uitmaakten van het gratis programma dat het CLB aanbiedt. Per vaccin worden de absolute contra-indicaties met betrekking tot het optreden van anafylaxie voor vaccinatie buiten hospitaalmilieu vermeld.
Tabel 5 Overzicht van de absolute contra-indicaties met betrekking tot anafylaxie voor de vaccins die de CLB kon of kan aanbieden.
| anafylaxie na… | Vorige dosis | Inname gist | Toediening streptomycine | Toediening polymyxine B | Toediening neomycine | Inname gelatine |
| Boostrix | x | |||||
| Engerix B | x | x | ||||
| Gardasil 9 | x | x | ||||
| Hexyon | x | x | x | x | x | |
| Imovax | x | x | x | x | ||
| Infanrix-IPV | x | x | x | |||
| MMRVaxPRO | x | x | x | |||
| NeissVac-C | x | |||||
| Nimenrix | x | |||||
| Priorix | x | x | ||||
| Tetravac | x | x | x | x | ||
| Triaxis | x |
Zie 5. Verdiepende informatie voor de Relatieve contra-indicaties en voor Vaccinatie bij ziekte.
Om dosisvergissingen te voorkomen, adviseert de Belgische Reanimatieraad om uitsluitend adrenaline base 1mg/1ml te gebruiken.
De medewerking van de school wordt verduidelijkt in de omzendbrief ‘Operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding’
Zie 5. Verdiepende informatie voor meer info rond Pijnreductie
Zie 5.Verdiepende informatie voor info over Temperatuur van het vaccin, Ontluchten van de spuit, Aspireren, Snelheid van inspuiten, Toedieningsroute.
Zie 5.Verdiepende informatie voor meer info over Ontsmetting van de vaccinatieplaats.
Zie 5.Verdiepende informatie voor info over Prikaccident.
Zie 5.Verdiepende informatie voor meer info over de indicatie voor een subcutane vaccinatie.
Hieronder volgt wat relevant is bij het vaccineren voor CLB. De volledige tekst met referenties van de ‘consensusnota: Aanbevolen IM vaccinatietechniek 2008’ is hier te vinden. Bij 5.Verdiepende informatie vind je verdere toelichting rond deze consensusnota.
Toedieningsplaats voor IM vaccinatie
Bij kinderen (>12 m), adolescenten en volwassenen is de voorkeursplaats de bovenarm ter hoogte van de musculus deltoideus. Dit betekent dat de persoon de bovenarm volledig ontbloot en dat de naald de spier penetreert halfweg tussen het acromion en de caudale aanhechting van de musculus deltoideus.


De anterolaterale zijde van de dij is voor kinderen en adolescenten een optie wanneer meer dan 2 injecties worden toegediend tijdens één vaccinatiesessie of wanneer de bovenarm niet als toedieningsplaats kan worden gebruikt (vb. door gips, verband, …)
De toediening van vaccins in de musculus gluteus werd verlaten omdat de gluteale regio bij zuigelingen vooral uit vetweefsel bestaat en omdat het theoretisch gevaar bestaat de nervus ischiadicus aan te prikken wanneer men niet in de bovenste buitenste kwadrant van de bilspier injecteert. Bij volwassenen moet men bovendien rekening houden met de sterk wisselende dikte van de subcutane vetlaag.
De techniek aanbevolen door de WHO heeft de voorkeur. Deze techniek is gemakkelijk toe te passen omdat er geen twijfel kan ontstaan over de dikte van de huid- en spierplooi die moet gevormd worden en de naald niet schuin ten opzichte van het lidmaat moet worden ingebracht. Dit laatste is immers moeilijker gestandaardiseerd uit te voeren.

Figuur 2 Intramusculaire injectie van de naald volgens de techniek aanbevolen door de WHO.
De noodzakelijke lengte van de naald wordt bepaald door:
De naald moet voldoende lang zijn om de spiermassa te penetreren, zo niet kan de immuunrespons nadelig worden beïnvloed en neemt de kans op het optreden van lokale bijwerkingen toe. De naald mag ook niet te lang zijn om beschadiging van neurovasculaire structuren of botweefsel te vermijden.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de kenmerken van de naalden die het meest gebruikt worden voor een intramusculaire injectie. De kleur komt overeen met de buitendiameter (gauge) van de naald en heeft niets te maken met de lengte van de naald.
Tabel 7 Kenmerken van de meest gebruikte naalden voor intramusculaire inspuiting.
| Kleur | Gauge (diameter) | Lengte in mm (in inch) |
| Oranje | 25 G (0,5 mm) | 16 mm (5/8 ”) of 25 mm (1 ”) |
| Blauw | 23 G (0,6 mm) | 25 mm (1 ”) of 30 mm (1 ¼ ”) |
| Groen | 21 G (0,8 mm) | 38 mm (1 ½ ”) of 50 mm (2 ”) |
Voor de doelgroep van het CLB wordt aanbevolen een naald te gebruiken van 16-25mm met een gauge van 23G of 25G. De naaldlengte moet gekozen worden in functie van de vetlaag en/of spierlaag. Indien gekozen wordt om te vaccineren met een 16 mm naald, maar enkel 25 mm naalden voorradig zijn, kan een 25 mm naald gebruikt worden die men slecht voor ¾ inbrengt. Voor meisjes die meer wegen dan 90 kg en jongens die meer wegen dan 118 kg wordt een 38 mm naald aanbevolen. Bij afwezigheid van studies of evidence-based aanbevelingen, die uitsluitsel geven over de vraag of de naald al dan niet volledig moet worden ingebracht, is de consensus om de naald systematisch volledig in te brengen bij vaccinatie.
Kinderen waarvan allergie niet gekend is zijn per definitie niet identificeerbaar via anamnese. Om die reden moet elk kind na toediening van een vaccin, omwille van mogelijke onmiddellijke reactie, gedurende 15 minuten onder toezicht blijven. Dit houdt in dat een hulpverlener die de eerste dringende zorgen kan toepassen beschikbaar blijft.
Verwijder het afval na vaccinatie als volgt:
Tabel 8 Overzicht van de soorten medisch afval bij vaccinatie door het CLB en de manier om het afval te verwijderen.
| Wat? | Categorie? | Recycleren? | Waar verwijderen? | Verwerking? |
| naaldspuit met vaste naald | scherp RMA | neen | naaldcontainer | verbranding in draaitrommeloven met hoge temperatuur |
| volle naaldcontainer | Kartonnen recipiënt voor RMA | |||
| glazen flaconGlazen spuit zonder naald vervallen voorgevulde spuit zonder naaldspuit met restvloeistof | vast RMA | neen | Vormvast (kunstof) recipiënt voor vast RMA (= WIVA vat) | |
| lege plastic spuit zonder naaldgebruikte depper of compresgebruikte pleister | vast NRMA | neen | restafval | verbranding in reguliere verbrandingsintallatie |
| blisternaaldbeschermer | niet gevaarlijk bedrijfsafval | neen | PMD | recyclage |
| kartonnen verpakking bijsluiter | niet gevaarlijk bedrijfsafval | verplicht | papier- en kartonafval |
Zie 5.Verdiepende informatie voor meer info over Verwijderen van medisch afval
Zie 5.Verdiepende informatie voor meer info over Registratie van vaccinaties
Zie 5. Verdiepende informatie voor meer informatie over Vaccinnet.
Koelkasten voor medische doeleinden (Figuur x) hebben het voordeel dat de temperatuur tussen nauwe grenzen ingesteld kan worden, vb. tussen +3°C en +5°C. De temperatuurschommelingen zijn bij dit type koelkast gering dankzij een krachtig koelsysteem. De deur beschikt niet over bergladen en kan afgesloten worden met een sleutel. Er is geen vriesvak aanwezig. De ontdooiing van het koelgedeelte gebeurt automatisch.
Huishoudkoelkasten worden niet aanbevolen voor het bewaren van vaccins, maar kunnen mits aanpassingen (Figuur 4) gebruikt worden als noodoplossing. Huishoudkoelkasten hebben het nadeel dat de temperatuurschommelingen groot zijn. Als men een huishoudkoelkast wil gebruiken, dan kiest men het best voor een koelkast zonder vriesvak om ijsvorming buiten het vriesvak en bevriezing van vaccins te voorkomen. Koelkasten met een vriescompartiment met een afzonderlijke deur vormen geen probleem voor ijsvorming.
De expiratiedatum geeft de houdbaarheidstermijn aan van een vaccin. Deze wordt op de verpakking en op de flacons of voorgevulde spuiten vermeld. De expiratiedatum ligt gewoonlijk 1 tot 3 jaar na de productiedatum. De expiratiedatum geldt alleen voor de toestand waarin het vaccin werd afgeleverd. Op voorwaarde dat het vaccin onder de door de producent vermelde bewaarcondities wordt opgeslagen, wordt de werkzaamheid gegarandeerd tot de expiratiedatum.
De vraag over de houdbaarheid van gereconstitueerde vaccins stelt zich in het CLB enkel voor de vaccins tegen MBR (MMRVAxPro en Priorix) en tegen MenACWY (Nimenrix).
Stabiliteitsstudies van vaccins die aan CLB geleverd worden, tonen dat de vaccins gedurende maximum 12 uur bewaard kunnen worden bij een temperatuur van 0°C-25°C.
Elektrische koelboxen kunnen gebruikt worden mits registratie van de temperatuur. De ruimte voor vaccinopslag is hierin wel beperkt.
Vaccins zijn thermolabiele, biologische producten, geproduceerd via ingewikkelde farmaceutische processen. Ze moeten bewaard worden op de aanbevolen temperatuur. Eens een vaccin zijn werkzaamheid verloren heeft door vb. bevriezing, kan deze niet herwonnen worden door het vaccin terug op de juiste temperatuur te brengen. Bewaring van vaccins in niet optimale omstandigheden kan leiden tot verlies van de werkzaamheid met verminderde of mislukte immunisatie van de gevaccineerde tot gevolg. In geval van een koudeketenbreuk, kan het advies zijn de vaccinvoorraad te vernietigen. Het vervangen van de vaccinvoorraad betekent een groot financieel verlies.
Het bewaken van de koudeketen is een gedeelde verantwoordelijkheid van iedereen die betrokken is in het proces van de productie tot de toediening van het vaccin
Het opslaan van vaccins in de koelkast garandeert nog niet dat de vaccins werkelijk bij de juiste temperatuur zijn bewaard. De enige manier om hierover zekerheid te krijgen is het nauwkeurig volgen van het temperatuurverloop.
Voor de temperatuurcontrole kunnen 2 soorten thermometers gebruikt worden: een minimum-maximum-thermometer of een thermometer met continue registratie. Een elektronische minimum-maximum-thermometer memoriseert de hoogste en de laagste meetwaarde. Een thermometer met continue registratie memoriseert het volledige temperatuurverloop. Een groot voordeel is dat kan nagekeken worden hoelang vaccins op een bepaalde temperatuur bewaard werden, tegenwoordig zijn dergelijke systemen eenvoudig te installeren en hebben een beperkte investeringskost.
Als er zich een koudeketenincident voordoet tijdens een sluitingsperiode van het CLB en er is nog geen continue termperatuursmonitoring, kan de periode tussen de vaststelling van het probleem en de laatste temperatuurcontrole lang zijn. Hoe langer het incident (periode tussen vaststelling en laatste temperatuurcontrole) duurt, hoe groter de kans dat, op basis van de stabiliteitsstudies van het vaccins, beslist wordt dat de vaccins vernietigd moeten worden. Afhankelijk van de grootte van de vaccinstock, kan het daarom zinvol zijn een oplossing te zoeken om langdurige koudeketenicidenten te vermijden. Ter inspiratie worden enkele praktijkvoorbeelden opgesomd:
Om, in geval van vaccinfalen, met terugwerkende kracht eventuele koudeketenbreuken te kunnen documenteren, is het belangrijk de temperatuurstaten gedurende minstens 3 jaar te bewaren.
Medische koelkasten beschikken over een ingebouwde thermometer met extern afleesbare waarden.
Bijwerkingen na vaccinatie worden onderverdeeld in lokale, systemische en allergische bijwerkingen. Bij de meeste vaccinaties verschijnen de bijwerkingen op dezelfde dag en duren ze niet langer dan 1 of 2 dagen. Na MBR-vaccinatie kunnen de bijwerkingen nog tot 5 tot 14 dagen na toediening optreden. In dit hoofdstuk worden de vaak voorkomende bijwerkingen (>1/100) en een ernstige maar uiterst zeldzame bijwerking besproken, met name anafylaxie. (2). Tabel 9 geeft een overzicht van de bijwerkingen per vaccin en de frequentie van voorkomen van deze bijwerkingen.
Zie 5. Verdiepende informatie voor meer info over Bijwerkingen.

| Minder dan 1 jaar | 0,05-0,1 ml |
| 1-2 jaar (ongeveer 10 kg) | 0,1 ml |
| 2-3 jaar (ongeveer 15 kg) | 0,15 ml |
| 4-6 jaar (ongeveer 20 kg) | 0,2 ml |
| 7-10 jaar (ongeveer 30 kg) | 0,3 ml |
| 11-12 jaar (ongeveer 40 kg) | 0,4 ml |
| 13 jaar en ouder | 0,4-0,5 ml |
Tabel 9 Differentiaal diagnose tussen anafylaxie en vasovagale syncope
| Kenmerk en mogelijke symptomen van anafylaxie | Kenmerk en symptomen van een vasovagale syncope | |
| tijdstip | na vaccinatie | voor, tijdens of na vaccinatie |
| huid en mucosa | urticaria, jeuk en angio-oedeem zwellen van lippen en tong | bleekheid, zweten, koude klamme huid |
| ademhaling | Kortademigheid, piepende expiratie, gierende inspiratie (stridor), zwelling bovenste luchtwegen (lip, tong, keel, huig) | normale ademhaling |
| bloedsomloop | aanhoudende hypotensie (met duizeligheid en collaps) met reflectoire tachycardie | hypotensie (met duizeligheid en collaps) met bradycardie, is kortdurend en verdwijnt nadat je de leerling in liggende positie brengt |
| neurologisch | bewustzijnsdaling of – verlies tonisch-clonische contracties zijn mogelijk | bewustzijnsdaling of -verlies bij 12 tot 25% ook tonisch-clonische contracties |
In geval van syncope is er geen amnesie en geen residuele verwardheid na tonische-clonische contracties. Deze elementen zijn zeer belangrijk voor de differentiaal diagnose met epilepsie. Een syncope die gepaard gaat met tonisch-clonische contracties verdient verder onderzoek. Na een syncope met tonisch-clonische contracties dien je de leerling en/of ouder te motiveren om dit incident met de huisarts te bespreken.
De meest frequente acute bijwerking na vaccinatie is een syncope. Het is een vaso-vagale reactie op emotie of pijn en wordt het meest gezien bij tieners en adolescenten. Het is belangrijk om een syncope niet te verwarren met een anafylaxie, wat slechts uiterst zelden voorkomt (< 1/1.000.000 vaccins).
Symptomen van een anafylaxie beginnen meestal enkele minuten na de vaccinatie, zeer zelden na meer dan een uur. Hoe sneller het begin, hoe ernstiger het verloop.
In tabel 9 worden de mogelijke symptomen van anafylaxie en de symptomen van een syncope opgesomd. Het stroomdiagram hierboven beschrijft de stappen die de verpleegkundige dient te zetten als de leerling zich na de vaccinatie plots niet goed voelt.
Zie 5.Verdiepende informatie voor meer info over Anafylaxie
Internationale wetgeving verplicht producenten van vaccins om ongewenste verschijnselen te documenteren, te analyseren en te rapporteren aan de registratieautoriteiten. Door het in kaart brengen van bijwerkingen kan voortdurend de balans gemaakt worden tussen voor- en nadelen van een vaccin. Zeldzame bijwerkingen kunnen pas aan het licht komen nadat het vaccin op de markt is gebracht. Zelfs in een fase 3-studie is het aantal dosissen te klein om deze bijwerkingen op te merken.
In België bestaat een passief registratiesysteem van vermoedelijke bijwerkingen na vaccinatie voor gezondheidsbeoefenaars. Ongewenste verschijnselen na vaccinatie kunnen gemeld worden aan het FAGG door, de melding online in te vullen via de website van het federaal agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten.
Bij de beoordeling van een koudeketenbreuk moet rekening gehouden worden met de gecumuleerde tijdsduur waarop het vaccin zich buiten de temperatuursgrenzen heeft bevonden. Daarom is het belangrijk om vaccins die de koudeketen verlaten hebben, als eerste te gebruiken bij een volgende vaccinatiesessie.
Bij een stroomonderbreking van minder dan 4 uren moet de koelkastdeur gesloten blijven. Als de stroomonderbreking meer dan 4 uren duurt moeten de vaccins in een andere koelkast met juiste temperatuurinstelling bewaard worden.
Het Vlaams Departement Zorg beschikt over stabiliteitsstudies van alle vaccins, die gratis geleverd worden en opgenomen zijn in het Vlaams basisvaccinatieprogramma. Op basis hiervan kunnen vaccinspecifieke adviezen gegeven worden in geval van koudeketenbreuk. Vernietiging van vaccins gebeurt uitsluitend na het advies van het Departement Zorg, niet op eigen initiatief.
Je kunt alles nalezen op Probleem met vaccin melden | Departement Zorg
De medische en juridische regeling van een arbeidsongeval vallen onder de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk waarbij het CLB is aangesloten en dient te verlopen in nauwe samenwerking met deze dienst. Bij het afsluiten van een arbeidsovereenkomst moet het arbeidsreglement ter beschikking zijn en moet de CLB-medewerker ingelicht worden over de dienst waarbij het CLB is aangesloten.
Zie 5.Verdiepende informatie voor meer info over Prikaccident.
Het vaccinatieschema dat aanbevolen wordt in de Franstalige gemeenschap is te vinden op via de website vaccination-info.be.
Het vaccinatieschema dat aanbevolen wordt in de Duitstalige gemeenschap is te vinden op via de website Ostbelgien Live – Impfkalender
Op de website van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is het vaccinatieschema te vinden dat aanbevolen wordt in Nederland.
Het aanbevolen vaccinatieschema in Frankrijk is te vinden op de website van de Franse overheid.
Ook de ECDC (European Centrum for Disease prevention and Control) verzamelt op haar website de vaccinatieschema’s in de verschillende landen van de EU. Een tool laat toe schema’s van 2 verschillende landen in de EU te vergelijken.
Het basisvaccinatieschema in andere regio’s of landen kan geraadpleegd worden op de website van de Wereldgezondheidsorganisatie. Bijkomend is het moment van introductie van een specifiek vaccin in een specifiek land op te zoeken via deze link.
Onder simultaan vaccineren verstaat men het toedienen van meer dan één vaccin tijdens hetzelfde consult. Men doet dit op verschillende injectieplaatsen. Simultane toediening kan de vaccinatiegraad in een bevolking aanzienlijk verhogen. Elk consult is een gelegenheid voor vaccinatie, en simultane toediening vermindert de kans op onvolledig volgen van de vaccinatieaanbevelingen. Voorwaarde is wel dat de simultane toediening veilig is en tot een bewezen efficiënte immuunrespons voor alle toegediende antigenen leidt. In de praktijk worden frequent 2 vaccins simultaan toegediend, indien de leerling en ouders akkoord zijn kunnen ook 3 vaccins simultaan toegediend worden.
Bij gebrek aan studies ontraden wetenschappelijke bijsluiters van vaccins simultane toediening zonder te vermelden wat het aanbevolen interval tussen de verschillende vaccinaties is. In de Summary of Product Characteristic (SPC) van moderne vaccins vindt men in toenemende mate op klinisch onderzoek gebaseerde gegevens over het simultaan toedienen van een bepaald vaccin met andere vaccins. Sinds 2007 eist EMA (European Medicines Agency) dat advies over simultane toediening onderbouwd wordt met gegevens uit klinisch onderzoek. Het EMA publiceert een Europees openbaar beoordelingsrapport (EPAR) van elk geneesmiddel dat via een centrale procedure toegelaten wordt tot alle lidstaten van de Europese Unie, Noorwegen, Lichtenstein en Ijsland.
Gezaghebbende organisaties als de American Academy of Pediatrics (AAP) en de Centers for Disease Control and Prevention (CDC) adviseren om de vaccinaties die aan kinderen in het kader van nationale vaccinatieprogramma’s worden gegeven, zo veel mogelijk simultaan uit te voeren. Ze laten het vaccineren van kinderen primeren op eventuele interferenties, die meestal geen klinische betekenis hebben (4,5).
Op basis van informatie uit de bijsluiters en wetenschappelijke literatuur stelt het CEV (Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties, UA) jaarlijks naar aanleiding van het Valentijn Vaccinatiesymposium een overzichtstabel op voor de simultane toediening van de vaccins die in België beschikbaar zijn (6). Hieronder volgt een verkorte tabel, met enkel de vaccins die gratis ter beschikking worden gesteld door de Vlaamse overheid voor CLB’s.
De volledige oorspronkelijke tabel met achtergrondinformatie is te raadplegen via de website van het Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties (CEV).
Tabel 11 Simultane toediening van de vaccins die kunnen aangeboden worden door CLB (schooljaar 2023-2024).
| Boostrix | Gardasil 9 | Engerix B | Hexyon | Imovax | Infanrix-IPV | Nimenrix | MMRVaxPRO | |
| Boostrix | ja | ja | ja1 | ja | ja1 | |||
| Gardasil 9 | ja | ja4 | ja | ja2,5 | ja4 | |||
| Engerix B | ja | ja4 | ja | ja | ja | ja | ||
| Hexyon | ja | ja | ||||||
| Imovax | ja1 | ja | ja | ja | ja | |||
| Infanrix-IPV | ja | ja | ja1 | |||||
| Nimenrix | ja | ja2,5 | ja | ja | ja | ja | ja | |
| MMRVaxPRO | ja1 | ja4 | ja | ja | ja | ja1 | ja |
1 in overeenstemming met algemeen aanvaarde vaccinatierichtlijnen
2 gegevens zijn beperkt, te overwegen in het kader van inhaalvaccinaties
3 niet bestudeer
4 enkel aangetoond voor Gardasil (qHPV)
5 aangetoond voor Cervarix
Het te respecteren interval tussen vaccinaties wordt bepaald door twee elementen: de te respecteren intervallen in een serie van hetzelfde vaccin en het te respecteren interval tussen twee van elkaar verschillende vaccins.
Geïnactiveerde vaccins zoals tegen difterie, tetanus, kinkhoest, polio, Hib-ziekten, hepatitis B, meningokokken, pneumokokken bestaan uit gedode microben of antigenen hiervan. Immuniteit wordt bij zuigelingen opgebouwd door een serie van 2 of 3 vaccins (priming) en wordt onderhouden door revaccinaties (booster). Bij oudere kinderen en volwassenen kan een kleiner aantal vaccins volstaan.
Met de priming (start op de leeftijd van 8 weken) wordt in relatief korte tijd bescherming bereikt. Ook wordt het immunologisch geheugen geactiveerd (memory), waardoor later bij contact met hetzelfde antigeen (door ziekte of vaccinatie), een boosterreactie wordt opgewekt. Met een boosterreactie bedoelt men de versnelde en sterke afweerreactie die dan optreedt. Het standaard interval is bij de meeste geïnactiveerde vaccins minimaal 4 weken. Het is enkel korter bij vaccinaties tegen rabiës. De maximale lengte van het interval is niet bekend, maar is zeker 5, wellicht zelfs 10 jaren. We gaan ervan uit dat elk vaccin telt, onderbroken vaccinatieseries hoeven daarom zelden opnieuw te worden gestart. Als de volledige primaire vaccinatie of de laatste boosterdosis tegen tetanus en difterie meer dan 20 jaar geleden is, adviseert men in België om 1 primaire dosis te geven, gevolgd door een boosterdosis na 6 maanden. Revaccinaties tegen hepatitis B wordt niet meer noodzakelijk geacht. Na een goede priming ontstaat een langdurige immuniteit tegen hepatitis B. Ondanks het feit dat antistoffen niet altijd meer aantoonbaar zijn, blijkt bij contact met het specifieke antigen toch een adequate immuunrespons wordt opgewekt.
Bij de levende vaccins (zoals MBR, varicella, gele koorts) berust de immuniteitsopbouw op het doormaken van een infectie met levende, verzwakte micro-organismen. Het vroegst mogelijke moment voor de eerste dosis van MBR wordt afgestemd op het verdwijnen van moederlijke antistoffen. Rond de leeftijd van 6 maanden heeft ongeveer 50% van de zuigelingen nog MBR-antistoffen van de moeder, rond de leeftijd van 12 maanden komt dit nog maar sporadisch voor. Levende vaccins ‘slaan aan’ of niet. Levend verzwakte vaccins geven over het algemeen een langdurigere bescherming dan geïnactiveerde vaccins en boostervaccinaties zijn in principe dan ook niet nodig. Wel is er bij de meeste levende vaccins tot 5 % kans dat het niet ‘aanslaat’. Een tweede-kans-vaccinatie (catch-up) wordt daarom uitgevoerd, zoals voor MBR.
De vorige aanbeveling omtrent de te respecteren intervallen dateert van 2005, toen de eerste nieuwe geconjugeerde vaccins en vaccincombinaties op de markt kwamen. Sindsdien werden verschillende studies voor simultane toediening uitgevoerd (5). Deze toonden aan dat ook voor de nieuwe vaccins dezelfde richtlijn geldt als voor de vaccins die al sinds lange tijd toegediend worden.
Er is geen evidentie dat geïnactiveerde vaccins interfereren met de immuunrespons van andere geïnactiveerde vaccins of van levende vaccins. Dit is wel op voorwaarde dat de interactie werd onderzocht. Indien 2 vaccins niet simultaan mogen toegediend worden of er zijn geen gegevens beschikbaar omdat de interactie niet is onderzocht (cfr tabel CEV over simultaan vaccineren), dan wordt geadviseerd om minstens 14 dagen tussen beide te laten.
Voor levende vaccins bestaat beperkte evidentie dat de immuunrespons verminderd is als het vaccin toegediend wordt na minder dan 28 dagen na een ander levend vaccin. Om het risico op interferentie te verminderen, moeten levende vaccins die niet op dezelfde dag worden toegediend, toegediend worden met een interval van minimum 4 weken. Als het interval tussen 2 levende vaccins minder is dan 4 weken, kan het tweede vaccin niet als geldig beschouwd worden en moet het herhaald worden. De herhaling moet minimum 4 weken na de laatste ongeldige dosis worden toegediend.
Tabel 12 Te respecteren interval tussen vaccins die geen onderdeel zijn van een serie (4).
| Antigen combinatie | Aanbevolen minimum interval |
| 2 of meer geïnactiveerde vaccins | simultaan of met elk mogelijk interval1 |
| geïnactiveerd vaccin en levend vaccin | simultaan of met elk mogelijk interval1 |
| 2 of meer levende ‘te injecteren’ vaccins2 | simultaan of met een interval van 4 weken |
1 Elk mogelijk interval is enkel van toepassing als beide vaccins ook simultaan mogen toegediend worden (cfr tabel CEV over simultaan vaccineren). Anders wordt geadviseerd minstens 14 dagen tussen te laten.
2 Levende ‘orale’ vaccins (vb. rotavirus vaccin) mogen simultaan of met elk mogelijk interval worden toegediend voor of na geïnactiveerde of levende te injecteren vaccins. Het enige levende ‘te injecteren’ vaccin dat door het CLB wordt aangeboden is het MBR-vaccin.
Om de individuele bescherming tegen hepatitis B na te gaan is een titerbepaling noodzakelijk. Een titerbepaling 1 tot 3 maanden na het laatste vaccin toont aan of de persoon beschermd is of niet (>10IU/l voor responder, <10IU/l voor non-responder).
Indien een titerbepaling langere tijd na de vaccinatie gebeurt, kan een titer van <10IU/l twee betekenissen hebben. Ofwel heeft men te maken met een non-responder ofwel heeft de persoon wel antilichamen ontwikkeld na de vaccinatie, maar is de hoeveelheid antilichamen met de tijd verminderd. In het laatste geval betekent dit niet dat er geen bescherming is, gezien bij contact met HBV geheugencellen de gepaste immunologische reactie zullen activeren. Om na te gaan of de persoon beschikt over geheugencellen, kan een ‘diagnostisch’ vaccin worden toegediend tegen HBV, gevolgd door een titerbepaling na 1 maand. Een resultaat van >10IU/l betekent dan dat de persoon beschermd is tegen HBV, een resultaat van <10IU/l betekent dat het wel degelijk om een non-responder gaat. Non-responders zullen in de helft van de gevallen toch reageren na het volgende schema:
Volgens Prof. Nys, expert in medisch recht, wordt in de (zeldzame) rechtspraak als vuistregel gehanteerd dat bijwerkingen met een frequentie van > 1:100 moeten vermeld worden, behalve indien de gevolgen geen blijvend karakter hebben, en dat ook bijwerkingen met ernstige gevolgen vermeld moeten worden, ook al is de frequentie ervan <1:100. Een bijwerking wordt door registratieautoriteiten voor geneesmiddelen als ernstig (serious adverse event, SAE) beschouwd als de vaccinatie heeft geleid tot hospitalisatie of verlenging van een bestaande hospitalisatie, een levensbedreigende ziekte, een blijvende beperking, een congenitale afwijking of overlijden.
Ouders en leerlingen moeten steeds de kans krijgen om vragen te stellen voor de vaccinatie. Antwoorden op dergelijke vragen kunnen vaccinatoren onder andere in de Standaard Vaccinaties zelf vinden, maar ook in:
Volgens de wet betreffende de rechten van de patiënt van 22/8/2002 worden de rechten van de minderjarige uitgeoefend door de ouders die het gezag van de minderjarige uitoefenen of door zijn voogd (Art.12.§1). De patiënt moet betrokken worden bij de uitoefening van zijn rechten rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De patiëntenrechten kunnen door de minderjarige patiënt die tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht, zelfstandig worden uitgeoefend (Art.12.§2).
Er is sprake van geïnformeerde toestemming op voorwaarde dat de patiënt competent is om toestemming te geven. Volwassenen worden verondersteld handelingsbekwaam te zijn, tot bewijs van het tegendeel. Minderjarigen daarentegen worden juridisch als handelingsonbekwaam beschouwd. Er zijn uitzonderingen op die veronderstelde handelingsonbekwaamheid, er zijn een aantal gevallen waarin een minderjarige wel een geldige toestemming kan geven (cf. Rechten van minderjarigen in de gezondheidszorg, Kinderrechtencoalitie Vlaanderen vzw, 2004):
– De geëmancipeerde minderjarige is feitelijk onafhankelijk van zijn/haar ouders en mag ook zelf onafhankelijk beslissingen maken, vb. de minderjarige woont alleen, voorziet in zijn/haar eigen levensonderhoud, is getrouwd,…
– De mature minderjarige of de minderjarige met oordeelsvermogen. Als de minderjarige voldoende maturiteit bezit om de aard en consequenties van de beslissing in te schatten, kan de minderjarige een geldige toestemming geven.
De Wet Patiëntenrechten voorziet geen leeftijd waarop de minderjarige bekwaam wordt geacht. Jeugdrecht.be ((On)Bekwaamheid van minderjarige patiënten, februari 2017) vermeldt hierover dat beroepsbeoefenaars zich bij de inschatting van de bekwaamheid van hun minderjarige patiënt in de praktijk vaak toch laten leiden door een leeftijdscriterium. Meer en meer wordt de leeftijd van 12 jaar gebruikt als scharniermoment voor het bereiken van bekwaamheid. En ook door de aard van het onderzoek, de behandeling of ingreep: over lichte en risicoarme medische tussenkomsten kunnen bekwame minderjarigen zelfstandig beslissen; over zwaardere, risicovolle tussenkomsten zullen minderjarigen meestal niet alleen mogen beslissen en zal de toestemming van de ouders gevraagd worden.
De toestemming voor vaccinatie wordt vermeld in het decreet betreffende de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding van 25 juni 2018, toegelicht door de omzendbrief ‘Operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding’ van 14 juni 2018. In het Besluit van de Vlaamse Regering tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding van 6 augustus 2018 wordt de opdracht van het CLB omtrent vaccinatie geconcretiseerd, maar niet de toestemming voor vaccinatie.
Als ‘ouders’ toestemming geven voor vaccinatie, wordt het begrip ‘ouders’ in het decreet gedefinieerd als: “de personen die titularis zijn van het ouderlijk gezag of, bij ontstentenis van deze personen, de wettelijke vertegenwoordiger”. Dit in tegenstelling tot veel andere opdrachten binnen de leerlingenbegeleiding die niet ressorteren onder de wet op de rechten van de patiënt, waarbij opvoedingsverantwoordelijken ook het recht hebben om toestemming te geven.
Dit wordt in de omzendbrief als volgt toegelicht: “Het vaccineren kan enkel mits toestemming. In het decreet leerlingenbegeleiding is er niet meer opgenomen wie de toestemming moet geven. De praktijk leert dat ouders toestemming geven en de leerling impliciet toestemming geeft door zich te begeven naar de plaats van vaccinatie. Opvoedingsverantwoordelijken worden hier uitgesloten.
De definitie van vaccinatietwijfel volgens WHO luidt: “een toestand waarin iemand twijfelt over, of gekant is tegen, vaccinatie, inclusief de intenties en bereidheid om zich te laten vaccineren.” (38, 40). Vaccinatietwijfel bevindt zich tussen acceptatie en weigering. ECDC geeft vaccinatie-acceptatie weer als een continuüm gaande van totale weigering tot totale acceptatie, zie figuur 5.

Figuur 5 Het continuüm van vaccinatie acceptatie (37)
Leask et al onderscheiddde eerder ook al 5 standpunten van ouders over vaccinatie bij kinderen:
Ook in Vlaanderen is onderzoek gebeurd naar vaccinatietwijfel, o.a. het VaxTrust onderzoek, in samenwerking met UGent. Het rapport verscheen in 2024 en het onderzoek vond plaats in 7 Europese landen. (38) De CEV deed in samenwerking met UAntwerpen een observationele, cross- sectioneel onderzoek om vaccinatie vertrouwen in Vlaanderen te meten. Aan de hand van een online vragenlijst bij de brede bevolking en specifiek bij ouders van jonge kinderen (0-13 jaar) werd bevraagd of vaccins belangrijk, veilig, doeltreffend en compatibel met eigen overtuigingen (religieus, filosofisch, persoonlijk) bevonden werden. Er werden verschillen gezien tussen het type vaccin en er is ook een dalend vertrouwen bij de jongere bevolking. Het volledige rapport kun je hier nalezen. (41)
Om vaccinatietwijfel aan te pakken, valt meest ‘winst’ te halen bij de twijfelaars. Totaalweigeraars zijn al overtuigd en hier op willen inbreken werkt vaak contraproductief. Motivationele gespreksvoering is de beste aanpak van zorgprofessionals wanneer ouders of jongeren hun twijfel over vaccinaties uiten. WHO ontwikkelde een online trainingsmodule om in 5 stappen dit gesprek te voeren: trainingmodule-conversationguide-final.pptx. Ook vanuit interviews met zowel hulpverleners als met ouders beklemtonen de onderzoekers van het VaxTrust onderzoek hoe belangrijk het is om te verbinden in plaats van te polariseren. Ouders die zorgen hebben omtrent vaccinaties willen dit graag kunnen bespreken met zorgverleners die hiervoor openstaan. (38)
VaxTrust heeft 4 aanbevelingen voor zorgverleners:
Willen we vaccinatietwijfel ombuigen in de richting van vaccinatie-acceptatie, dan is een goed begrip nodig van factoren die het beslissingsproces vormgeven. Er is al veel onderzoek gebeurd naar deze factoren en in 2020 verscheen een Cochrane review specifiek over de factoren die meespelen in de beslissing van ouders om hun kind de basisvaccinaties te geven. Hieruit blijkt dat de visie op vaccinatie een complex sociaal proces is en veel minder te wijten is aan onwetendheid en irrationeel denken wat vaak wordt verondersteld. (32)
De beïnvloedende factoren zijn in 4 grote thema’s samen te vatten:
Twee concepten worden naar voor geschoven ter verklaring:
Anderzijds toont onderzoek aan dat ouders goed geïnformeerd willen zijn. Een Cochrane review gepubliceerd in 2017, voornamelijk op basis van studies uit landen met een hoog inkomen, besluit dat ouders gebalanceerde informatie wensen over zowel de voor- als nadelen van de vaccinatie op een heldere en eenvoudige manier, aangepast aan hun individuele situatie en vóór het vaccinatiemoment plaatsvindt. Gezondheidswerkers zijn een belangrijke bron van informatie. Slechte communicatie en negatieve ervaring met gezondheidswerkers kan vaccinatietwijfel in de hand werken. De mate waarin ouders informatie wensen leek gelinkt te zijn aan de mate van vaccinatie-acceptatie, waarbij ouders met meer twijfel, meer informatie verlangen (35).
Een Cochrane review gepubliceerd in 2018 over het effect van face-to-face interventies op:
Uit de 10 onderzochte studies, waarvan 7 uit landen met een hoog inkomen, blijkt het effect van de interventies op vaccinatiestatus, kennis over vaccinatie en intentie om te vaccineren beperkt. Er was geen effect op houding of angst van de ouders. Slechts 1 studie onderzocht de kostprijs van de interventie die acht x groter was dan standaardaanbod. Er is geen onderzoek gedaan naar de ervaring van de ouders. De review concludeert dat er weinig evidentie is dat face-to-face informatie vertstrekken de vaccinatiestatus van de kinderen, de kennis van de ouders en de intentie om te vaccineren verbetert. (36)
Ziekte vormt minder vaak een contra-indicatie voor vaccinatie dan algemeen wordt aangenomen. Bij sommige chronische aandoeningen worden bovenop de basisvaccinatie zelfs extra vaccins aanbevolen. Het is aan te bevelen om de beslissing over het al of niet vaccineren van kinderen met een chronische aandoening te nemen in overleg met de behandelende arts(en).
In 2012 publiceerde de Hoge Gezondheidsraad een advies voor vaccinatie van immunogecompromitteerde en chronisch zieke kinderen en volwassenen (9158)
Het advies bestaat uit 3 delen:
Er wordt een antwoord gegeven op de vraag of een bepaalde vaccinatie 1) afgeraden wordt omwille van contra-indicaties, 2) enkel te overwegen is bij een verhoogd risico, 3) aanbevolen wordt zoals voor de algemene bevolking of net 4) actief aanbevolen moet worden gezien er een bijkomend risico is. Deze vraag wordt beantwoord voor verschillende patiëntengroepen:
Het gaat onder meer over diabetes, nierfalen, chronisch leverlijden, chronische hart- en longaandoeningen, mucoviscidose, sikkelcelanemie, hemofilie, hypo- of asplenie, uitgebreide radiotherapie, cochleair implant, lek cerebrospinaal vocht, thymectomie, complement deficiënties en substitutie (IV of SC) met immunoglobulinen.
Uitzondering:
Vaccineren van immunogecompromitteerden blijft complex, in veel gevallen is overleg tussen verschillende specialisten noodzakelijk. Raadpleeg altijd de huisarts van de leerling vooraleer u een immunogecompromitteerde leerling vaccineert.
Enkele aandachtspunten bij immunosuppressieve aandoeningen of bij inname van immunosuppressieve medicatie:
De enige vaccinatie uit de Vlaamse vaccinatiekorf die tegenaangewezen is tijdens de zwangerschap is de MBR vaccinatie.
Aanbevolen vaccinaties tijdens de zwangerschap vind je op de website van Departement Zorg: Vaccinaties rond je zwangerschap | Departement Zorg.
Hieronder volgt een opsomming van de meest voorkomende omstandigheden die verkeerdelijk als contra-indicatie beschouwd worden:
Voor pijnreductie bestaan verschillende technieken die afhankelijk van de leeftijd en de situatie kunnen toegepast worden. Hier volgt een opsomming van enkele mogelijkheden om pijn door vaccinatie te verminderen (1):
Er is meer en meer aandacht voor pijnreductie bij het vaccineren. Waar de vaccinatie door het ene kind quasi volledig pijnloos wordt ervaren, is dit voor het andere kind een haast onoverkomelijke pijnsensatie. Bovendien leidt de angst voor de naald ook tot uitstel en weigering van de vaccinatie. (27) De uitdaging tijdens de vaccinatie draait dan ook niet enkel rond verminderen van de pijnsensatie zelf, maar ook rond aanpakken van de angst (emotie) en de focus (psychologisch-cognitieve gedachtegang). (28)
Patiënten van alle leeftijden ervaren angst voor kleine of grote medische ingrepen. Dit heeft een grote invloed op de beleving van zowel het kind als van de ouders. Daarom is er niet enkel het doel op korte termijn, namelijk een geslaagde vaccinatie kunnen toedienen, maar er is ook een doel op lange termijn, namelijk dat het kind en de ouders vertrouwen behouden in de zorg. (28)
Doeltreffende technieken zijn: contact maken, informatie verstrekken, goed voorbereiden, maar ook afleiden en de juiste woorden gebruiken. Alleen weet je op voorhand vaak niet wat gaat werken bij welk kind en is zorg op maat nodig. (28)
Tips rond helpend taalgebruik vind je in figuur 5
Figuur 6 Positieve focustaal om pijn en angst weg te nemen bij kinderen (28)

De Canadese arts Anna Taddio ontwikkelde een methodiek om de stressrespons te reduceren en de ervaring van de vaccinatie op school te verbeteren. Deze CARD (Comfort Ask Relax Distract) methodiek is er op gericht dat de leerling actief participeert aan het vaccinatieprocess door:
Zie: CARD System
Een randomized clinical trial naar de methodiek toonde minder syncopes (0% versus 0,8%) en minder ervaren angst en pijn (Odds ratio 0,65 en 0,62 respectievelijk) met de CARD methodiek. Er bleek ook een hogere vaccinatiegraad met de CARD methodiek (76,1% versus 72,5%), maar dit verschil was niet significant (29).
Een dubbelblinde, gerandomiseerde studie uitgevoerd na dT-vaccinatie bij 150 16-jarigen, onderzocht de invloed van de temperatuur van het vaccin op de pijnsensatie. Er werd geen verschil aangegeven in pijnsensatie in functie van de temperatuur van het vaccin (gekoeld, 25°C of 37°C). (1,10)
Lucht in de bloedsomloop kan een levensgevaarlijke situatie veroorzaken. Bij volwassenen ontstaan weliswaar pas verschijnselen als 50-100 ml lucht in de bloedbaan terecht komt. Bij een drukverschil van 4 mm Hg in een naald van 8 cm met 16 G kan 90 ml lucht in een bloedvat stromen, maar dit soort naalden wordt gebruikt om een centrale katheter te plaatsen, niet om te vaccineren.
Voor kant en klaar vaccins wordt afgeraden om de voorziene luchtbel te verwijderen omdat
In de vaccinatiepraktijk wordt enkel aangeraden een grote luchtbel te verwijderen, zonder daarbij de zuiger door te drukken tot de vloeistof in de naald komt aangezien dit verlies van vaccinvloeistof met zich meebrengt. Het eindeloos tikken tegen de spuit om het laatste luchtbelletje te verwijderen is niet nodig. Inspuiten van een beetje lucht in de spier kan geen kwaad. (1)
Bij het vaccineren in de dorsogluteale streek, bestond de mogelijkheid om de arteria gluteae aan te prikken. Aspiratie (het optrekken van de zuiger alvorens de vloeistof in te spuiten om te controleren of een groot bloedvat is aangeprikt) is niet noodzakelijk omdat er geen grote bloedvaten aanwezig zijn ter hoogte van de aanbevolen injectieplaats, met name de deltoideusspier en de anterolaterale zijde van de dij, en omdat een vaccinatietechniek met aspiratie pijnlijker zou zijn.
Mocht er zonder aspiratie toch bloed in de spuit verschijnen, dan moet men het vaccin niet inspuiten, maar de spuit en naald terugtrekken, de naald vervangen door een nieuwe en de vaccinatie opnieuw uitvoeren met hetzelfde vaccin. Deze aanbeveling berust op de aanname dat bij het aanprikken van een groot bloedvat vanzelf bloed in de spuit verschijnt (ook zonder aspireren), en dat een kleiner bloedvat door de naald wordt kapot geprikt waardoor geen bloed in de spuit komt. (1,4)
Onderzoek vergeleek de pijnsensatie bij vaccinatie van zuigelingen met een trage techniek (langzaam aanprikken, aspireren, langzaam inspuiten, langzaam de naald verwijderen) en met een snelle techniek (geen aspiratie, snelle injectie, snel verwijderen van de naald). De auteurs concludeerden dat de snelle techniek als minder pijnlijk wordt ervaren. Wat het aandeel is van het al of niet snel inspuiten in het verschil in pijnsensatie is hier niet duidelijk. Onderzoek waarbij uitsluitend de invloed van het verschil in snelheid van inspuiten wordt bestudeerd op de pijnsensatie, kon geen verschil aantonen. (1,11,12)
De toedieningsroute van vaccins wordt gedeeltelijk bepaald door de aan- of afwezigheid van een adjuvans in het vaccin. Een adjuvans is een vaccincomponent die gebruikt wordt om het immuunantwoord tegenover het vaccin te helpen versterken. Vaccins die een adjuvans bevatten, moeten diep intramusculair toegediend worden. Indien deze vaccins subcutaan of intracutaan zouden worden toegediend, kunnen ze irritatie, inflammatie, granuloomvorming en weefselnecrose veroorzaken. De aanbevolen toedieningsroute wordt door de producent vermeld op de bijsluiter van het vaccin. Deze wordt bepaald tijdens de prelicentiestudies en houdt verband met de samenstelling en de immunogeniciteit van het vaccin. Afwijken van deze aanbeveling kan de doeltreffendheid van het vaccin verminderen of de kans op bijwerkingen doen toenemen. (12,13)
Het gebruik van antiseptica op de huid kan gericht zijn op de eliminatie van de transiënte flora, van de residente flora, of van beide. De transiënte flora bestaat uit micro-organismen die bij toeval op de huid terechtkomen, zich daar niet vermenigvuldigen en als regel spontaan sterven. De residente flora wordt gevormd door de natuurlijke bacteriepopulatie van de huid. Zij bestaat voornamelijk uit Staphylococcus epidermidis, corynebacteriën, propionibacteriën en soms Staphylococcus aureus. Ontsmetting van de huid op de inentingsplaats is bedoeld om de kans op binnendringen van bacteriën in de insteekwond te reduceren. De vraag is dan of de huid op de injectieplaats gekoloniseerd is met pathogene kiemen en als dat zo is, of bij het penetreren van de huid met de naald een voldoende inoculum onderhuids of in de spier wordt gebracht om daar een lokale infectie of zelfs een abces te kunnen veroorzaken. De schatting naar de incidentie van abcesvorming na vaccinatie lopen uiteen van 6 tot 10 gevallen per miljoen vaccinaties met DT- of DTP-vaccins (8). Uit onderzoek blijkt dat het aantal bacteriële infecties op de injectieplaats niet toeneemt als de huid niet wordt gedesinfecteerd (9). Reinigen of ontsmetting van de huid is niet noodzakelijk voor zover het huidoppervlak proper en droog is op het moment van de inenting.
Verkiest men toch om te ontsmetten, wat op zich geen probleem is, dan kiest men best voor een alcoholisch preparaat. De juiste handelswijze van desinfecteren bestaat erin: éénmaal over de insteekplaats wrijven (niet poetsen) en vervolgens de huid laten drogen (niet blazen) alvorens in te enten. (1,8,9)
Een correcte vaccinatietechniek moet op een zo veilig mogelijke manier een adequaat immuunantwoord garanderen. Er bestaat onvoldoende internationale consensus over de correcte intramusculaire toediening van vaccins. Om een houvast te bieden voor de dagelijkse praktijk van het vaccineren, werd in 2008 een consensus gezocht.
Na herhaaldelijk overleg met enkele vaccinatie-experts, met name Prof. dr. Karel Hoppenbrouwers (Jeugdgezondheidszorg, KULeuven) en Prof. dr. Pierre Van Damme (Centrum voor de Evaluatie van Vaccinaties, UA), werd door de VWVJ een voorstel van consensusnota opgesteld. De consensusnota werd voorgelegd aan de medisch kwaliteitscoördinatoren van Kind en Gezin en het bestuur van de Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg. Na intern overleg beslisten beide organisaties de consensusnota te ondersteunen. Op basis hiervan werd beslist dat het draagvlak voor de aanbeveling voldoende groot was om deze als norm voor correcte intramusculaire inenting aan alle vaccinatoren in Vlaanderen voor te stellen.
Indicatie
De aanwezigheid van een stollingsstoornis vormt op zich niet steeds een indicatie voor een subcutane injectie. Enkel in geval van een laag percentage stollingsfactoren of aantal bloedplaatjes kan een subcutane injectie aangewezen zijn. Het is aan de behandelende arts om de grens te bepalen. Er kan gekozen worden voor intramusculaire vaccinatie met verlengd nadrukken of ijsapplicatie ofwel voor subcutane vaccinatie ofwel voor uitstellen van vaccinatie tot de stollingswaarden hoger zijn.
Niet elk vaccin is gevalideerd voor subcutane toediening. Soms leidt subcutane toediening tot een minder effectieve immunisatie en is controle van de antistoftiter achteraf nog nodig. Subcutaan vaccineren geeft ook meer lokale bijwerkingen.
Techniek
Voor subcutane injecties geeft men de voorkeur aan een injectie op de strekzijde van de bovenarm (M. triceps), ongeacht de leeftijd. Subcutane injecties worden toegediend met de naald onder een hoek van 45° ten opzichte van de lengte-as van het lidmaat. (4)
In de bijsluiter van Priorix wordt aanbevolen om het vaccin subcutaan (SC) toe te dienen, maar wordt ook vermeld dat het vaccin intramusculair (IM) kan worden toegediend. Als een naald met de correcte naaldlengte aanwezig is, krijgt de IM route de voorkeur gezien deze minder lokale bijwerkingen geeft dan de SC route en de immunogeniciteit van de 2 technieken vergelijkbaar is.
De bijsluiter van MMRVaxPRO stelt dat het vaccin intramusculair of subcutaan moet worden geïnjecteerd.


Figuur 7 Injectietechniek en voorkeursplaats voor subcutane vaccinatie.
Vaccinnet is een vaccinatiedatabank voor alle inwoners van Vlaanderen en het Brussels hoofdstedelijk gewest met een rijksregisternummer of een BIS-nummer (nummer voor personen die rechten genieten in de Belgische sociale zekerheid maar niet ingeschreven zijn in het Rijksregister, vb. asielzoekers). Het is een bestel- en distributiesysteem voor vaccins die door de Vlaamse overheid ter beschikking gesteld worden. Vaccinatoren kunnen toegang krijgen tot Vaccinnet via een beveiligde website mits identificatie.
Kind en Gezin en CLB registreren sinds september 2005 alle toegediende vaccinaties in Vaccinnet. Van alle huisartsen en kinderartsen die vaccins bestellen bij de Vlaamse overheid, maakt in 2012 al ruim 65% gebruik van Vaccinnet. Samen betekent dit dat ruim 90% van alle recent toegediende vaccinaties in Vlaanderen in Vaccinnet geregistreerd wordt.
Tijdens de gezondheidsconferentie over vaccinaties in april 2012 werden de nieuwe gezondheidsdoelstellingen en het bijhorend actieplan voorgesteld. Twee van de subdoelstellingen waren dat Vaccinnet tegen 2015 door alle vaccinatoren gebruikt wordt en dat de burger zijn eigen vaccinatiegegevens kan bekijken via Vitalink (een elektronisch systeem van de Vlaamse Gemeenschap om gegevens over zorg en welzijn uit te wisselen).
De subdoelstellingen werden gehaald. Sinds 2014 verschijnen alle vaccins geregistreerd in Vaccinnet in Vitalink. Op die manier kunnen andere zorgverstrekkers de vaccinatiegegevens consulteren en kunnen burgers zelf hun vaccinatiegegevens raadplegen via My Health Viewer. Daarnaast bepaalt het Ministerieel besluit tot het bepalen van het vaccinatieschema voor Vlaanderen van 29 januari 2015 in Art. 8. dat alle vaccins die door de Vlaamse overheid gratis ter beschikking gesteld worden van de vaccinatoren,, besteld moeten worden in Vaccinnet, het bestel- en registratiesysteem voor Vlaanderen.
Ook vaccinaties met vaccins die niet door de overheid ter beschikking gesteld worden, kunnen geregistreerd worden in Vaccinnet. Wanneer het CLB historische vaccins invoert, kan dit een invloed hebben op de vaccinvoorraad die vermeld staat in Vaccinnet. Het invoeren van vaccinaties die toegediend werden vóór het begin van het huidige schooljaar, heeft geen invloed op de vaccinvoorraad van het CLB.
CLB dienen geen vaccinatie te registeren die door andere vaccinatoren werden toegediend in de loop van het huidige schooljaar.
Vaccinaties worden best kort na de toediening in Vaccinnet geregistreerd. Op die manier heeft iedereen die Vaccinnet consulteert, toegang tot de meest recente informatie. Dit is belangrijk in geval van bijwerkingen na vaccinatie of voor leerlingen die van school veranderen. De vaccinvoorraad die in Vaccinnet vermeld wordt, daalt door vaccinaties te registreren. Als de vaccinvoorraad in Vaccinnet niet daalt, kunnen vaccins niet besteld worden.
Onder de verantwoordelijkheid van een arts van het CLB, kunnen in principe alle CLB-ers toegang vragen tot Vaccinnet en dus vaccinaties registreren. Maak hierover duidelijke afspraken in het centrum. Op de website van Vaccinnet is te lezen hoe men toegang kan krijgen tot Vaccinnet.
Sinds 2012 vervangt het Materialendecreet het afvalstoffendecreet uit 1981. Parallel aan het decreet, is er een nieuw uitvoeringsbesluit dat het VLAREA volledig vervangt. Het Vlaams reglement voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het VLAREMA, bevat meer gedetailleerde voorschriften over (bijzondere) afvalstoffen, grondstoffen, selectieve inzameling, vervoer, de registerplicht en de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.
De OVAM (openbare Vlaamse afvalstoffenmaatschappij) publiceerde in 2014 een geactualiseerde handleiding ‘Beheer medische afvalstoffen’. Hierin wordt o.a. beschreven hoe medische inrichtingen worden ingedeeld, welke verschillende soorten medisch afval bestaan en welke regelgeving geldt voor het verwijderen van een bepaalde categorie medisch afval in een bepaalde soort van medische inrichting. De verpakkingsregels voor medisch afval zijn verschillend naargelang de hoeveelheid medisch afval die in een medische inrichting geproduceerd wordt. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen instellingen voor geneeskunde (vb. ziekenhuizen, rusthuizen, bloedtransfusiecentra), geneeskundige praktijken (vb. CLB, consultatiebureaus van Kind en Gezin, praktijk voor kinesitherapie) en thuisverzorgers.
Medisch afval wordt onderverdeeld in risicohoudend en niet-risicohoudend medisch afval. Dit heeft belangrijke gevolgen voor hun inzameling en hun verwerking.
Vloeibaar en pasteus RMA moet verwijderd worden in hiervoor voorziene gele vaten. Vast RMA moet verwijderd worden in kartonnen dozen (met opschrift “RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL) met kunststof binnenzak. Scherpe voorwerpen moeten verwijderd worden in naaldcontainers. Volle naaldcontainers moeten in een doos of vat voor RMA (met opschrift “RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL”) geplaatst worden.
Vloeibaar en pasteus niet-RMA moet verwijderd worden in hiervoor voorziene gele vaten. Vast NRMA moet in instellingen voor geneeskunde in blauwe zakken met de vermelding “NIET-RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL” en in geneeskundige praktijken (vb. CLB) in restafvalzakken.
Of een medische afvalstof wel of niet risicohoudend is, heeft gevolgen voor de opslag en de verwerking. Om het risico op besmetting, vergiftiging of verwonding zo klein mogelijk te houden moet de tijdelijke opslag van deze afvalstoffen zorgvuldig gebeuren. Het verwerken van RMA dient te gebeuren in een daartoe vergunde inrichting. In die installaties worden medische afvalstoffen verbrand in een draaitrommeloven bij hoge temperatuur. Dit is een vrij duur proces. Bij deze verbranding worden alle gevaren op besmetting, vergiftiging of verwonding weggenomen zonder handelingen waarbij medewerkers van ziekenhuizen, milieubedrijven of het publiek blootgesteld worden aan deze gevaren. Het NRMA mag worden verbrand in elke reguliere verbrandingsinstallatie die daarvoor is vergund.
Als een medische afvalstof niet op de sorteerlijst van het VLAREMA staat, dan moet een geneeskundige praktijk de lijst zelf aanvullen. De afvalstoffen uit onderstaande tabel worden allemaal vermeld in de sorteerlijst.
Risicohoudend medisch afval moet worden opgehaald door een overbrenger met een OVAM-erkenning van gevaarlijke afvalstoffen. Lijsten van overbrengers en verwerkers van afvalstoffen zijn terug te vinden op de website van OVAM.
Alle vaccins uit de vaccinatiekorf kunnen via Vaccinnet besteld worden. Vaccinnet is een bestel- en distributiesysteem voor vaccins die door de Vlaamse overheid ter beschikking gesteld worden aan vaccinatoren in het kader van haar programmatisch vaccinatiebeleid. Behalve de vaccins voor de voorziene doelgroepen, kunnen CLB ook alle vaccins voor inhaalvaccinaties via Vaccinnet bestellen, voor zover ze gratis ter beschikking gesteld worden door de Vlaamse overheid.
Dit online bestelsysteem is gekoppeld aan een registratiesysteem voor vaccinaties.
Alle informatie over toegang tot en werken met Vaccinnet vind je hier: Vaccinnet: vaccins bestellen en registreren | Departement Zorg
Artikel 22 van het KB van 6 juni 1960 (laatst geactualiseerd op 14 december 2006) over “de fabricage en distributie van in het groot en de terhandstelling van geneesmiddelen”, vermeldt dat “de vergunningshouders van de fabricage, de handel en distributie van geneesmiddelen, deze uitsluitend mogen verkopen, te koop aanbieden of verdelen aan andere vergunninghouders en aan officina-apothekers”. Verder in het artikel staat dat “deze bepaling niet toepasselijk is op de geneesmiddelen, die door de Staat aangekocht worden, met het oog op een profylaxe-campagne tegen besmettelijke ziekten of in andere, door de Minister, te bepalen omstandigheden”. Deze uitzondering maakt het mogelijk om in het kader van het Vlaamse vaccinatieprogramma vaccins rechtstreeks aan de CLB ter beschikking te stellen, zonder levering via een apotheker.
De farmaceutische firma zorgt voor het transport en de levering van de vaccins via een koerierdienst. Zij bewaken hierbij zeer sterk de continuïteit van de koudeketen. De leveringen van de vaccins gebeuren op het CLB tijdens de openingsuren die werden opgegeven via Vaccinnet.
Niet alle ongewenste verschijnselen na een vaccinatie zijn door die vaccinatie veroorzaakt. Men onderscheidt postvaccinale verschijnselen (adverse events) en echte bijwerkingen (adverse reactions) intrinsiek aan het vaccin of de vaccinatie. De term postvaccinale verschijnselen omvat zowel de echte bijwerkingen als de ziektebeelden die toevallig na de vaccinatie optreden (coïnciderende gebeurtenissen). De meeste vaccins worden op jonge leeftijd toegediend, een leeftijd waarop zich ook heel wat andere infectieuze en niet-infectieuze pathologie kan voordoen. Het is soms bijzonder moeilijk het onderscheid te maken tussen een bijwerking en een coïnciderende gebeurtenis.
Geen enkel biologisch of farmaceutisch product is 100% veilig, noch 100% effectief. Bij de productie wordt de grootst mogelijke veiligheid gekoppeld aan de grootst mogelijke effectiviteit. Van alle op de markt toegelaten vaccins kan gezegd worden dat de voordelen van het vaccin vele malen groter zijn dan de nadelen (1). Deze uitspraak geldt altijd op populatieniveau. Het kan in zeldzame gevallen op individueel niveau voorkomen dat de nadelen groter zijn dan het voordeel.
In de praktijk moeten we accepteren dat er toch bijwerkingen kunnen optreden ook al voldoen vaccins aan de strengste eisen van werkzaamheid en veiligheid. Door het feit dat sommige ziekten, dankzij vaccinatie, minder frequent voorkomen, stijgt de aandacht voor vermoedelijke nevenwerkingen. Zo kan het succes van een vaccinatieprogramma meteen ook haar grootste vijand zijn. De te bestrijden ziekten zijn in sterke mate teruggedrongen en daarmee zijn de ernst en de complicaties ervan verdwenen. Eventuele bijwerkingen, ook de hypothetische, nemen daarbij in gewicht toe.
Hieronder wordt een overzicht gegeven van de bijwerkingen die kunnen voorkomen na een bepaald vaccin, met de frequentiecategorie van voorkomen. Geopperde bijwerkingen die op basis van wetenschappelijk onderzoek verworpen werden, wordt ook bij elk vaccin vermeld.
Tabel 10 Overzicht van de bijwerkingen die kunnen voorkomen na een bepaald vaccin.
| Vaccin | Bijwerkingen | Frequentiecategorie1 | Geopperde bijwerkingen die op basis van wetenschappelijk onderzoek verworpen worden |
| Alle vaccins | Lokale bijwerkingen (pijn, zwelling, roodheid) | zeer vaak | Wiegendood Allergie/astma Diabetes mellitus type 1 |
| Koorts (40) | vaak | ||
| Anafylaxie | zeer zelden | ||
| DTPa | Uitgebreide zwelling rond injectieplaats | vaak na vierde of vijfde dosis | Hersenbeschadiging2 |
| Algemene verschijnselen (waaronder moeheid, nausea, braken en gedaalde eetlust) | vaak | ||
| Hoge koorts (> 40,5 °C) | zeer zelden | ||
| Ontroostbaar huilen (>3u) | zelden (bij zuigelingen) | ||
| Koortsstuipen | zeer zelden | ||
| Hypotone hyporesponsive episode3 | zeer zelden | ||
| dTpa/dT | Algemene verschijnselen (waaronder spierpijn, moeheid, nausea en gedaalde eetlust) | zeer vaak | Hersenbeschadiging2 |
| Uitgebreide zwelling rond injectieplaats | soms | ||
| Syncope | komt het meest voor bij meisjes van 11 tot 18 jaar | ||
| MBR | Rash/exantheem | vaak | Autisme Ziekte van Crohn Colitis ulcerosa |
| Koortsstuipen | zelden | ||
| Neurologische verschijnselen4 | zeer zelden | ||
| Lymfadenopathie | niet bij kinderen, vaak bij volwassenen | ||
| Idiopatische trombocytopenische purpura (ITP) | zeer zelden | ||
| Gewrichtsklachten | zeer vaak bij volwassen vrouwen | ||
| Syncope | komt het meest voor bij meisjes van 11 tot 18 jaar | ||
| MenC | Systemische bijwerkingen (vb. hoofdpijn, vermoeidheid, koorts, spierpijn, gedaalde eetlust) | vaak | |
| Syncope | komt het meest voor bij meisjes van 11 tot 18 jaar | ||
| HBV | Syncope | komt het meest voor bij meisjes van 11 tot 18 jaar | Multipele sclerose (MS) |
| HPV | Algemene verschijnselen (vb. spierpijn, moeheid of hoofdpijn) | zeer vaak | |
| Syncope | komt het meest voor bij adolescenten |
1 Frequentiecategoriën waarin ongewenste verschijnselen in de bijsluiter vermeld moeten worden:
Zeer vaak >1:10
Vaak >1:100, maar <1:10
Soms >1:1000, maar <1:100
Zelden >1:10.000, maar <1:1000
Zeer zelden <1:10.000
2 In geen enkel onderzoek werd onherstelbare neurologische schade of overlijden in verband gebracht met de onderzochte acellulaire vaccins (2).
3 Triade van symptomen: plots verlies van tonus, gebrek aan contact en bleekheid. Een hypotone hyporesponsieve episode (HHE) of collaps begint plots, treedt op binnen de 48 uren na de vaccinatie, duurt 1 minuut tot 48 uren. Het komt enkel voor bij kinderen jonger dan 10 jaar (26).
4 Neurologische verschijnselen na MBR-vaccin kunnen zijn: hypotonie, hypertonie, prikkelbaarheid, bewustzijnsdaling, atypische convulsies en encefalitis (2).
De Hoge Gezondheidsraad (HGR) publiceerde in 2012 een geactualiseerde aanbeveling voor de preventie en aanpak van anafylaxie bij vaccinatie van kinderen (advies nr. 8802). Hieronder wordt enkel het stroomdiagram met voetnoten weergegeven.
| Mondeling nagaan van mogelijke overgevoeligheid aan allergenen Voor CLB: ouder vult toestemmingsformulieren en bijgevoegde vragenlijst in | |||||||||
| ò ò | |||||||||
| Geen gekend verhoogd risico voor anafylaxie | Verhoogd risico voor anafylaxie | ||||||||
| ò | ò | ||||||||
| De urgentiekit is beschikbaar | (Telefonisch) contact met de ouders voor bijkomende anamnese, en zo nodig contact met de behandelende arts. Indien dit niet mogelijk is, geen vaccinatie uitvoeren. | ||||||||
| ò | ò | ||||||||
| Telefoontoestel in vaccinatielokaal of GSM in handbereik | Eventueel vaccineren in hospitaalmilieu | ||||||||
| ò | |||||||||
| Toediening vaccins | |||||||||
| ò | ò | ||||||||
| 15 minuten toezicht na vaccinatie: er is geen probleem | 15 minuten toezicht na vaccinatie: het kind voelt zich niet goed | ||||||||
| ò | |||||||||
| Leg het kind neer op vlakke ondergrond met benen in elevatie (tenzij respiratoire nood hierdoor toeneemt) | |||||||||
| ò | |||||||||
| Zorg voor een vrije luchtweg | |||||||||
| ò | |||||||||
| Controleer de ademhaling 1 | |||||||||
| ò | |||||||||
| Controleer de carotispols 2 | |||||||||
| ò | |||||||||
| Differentiaaldiagnose vasovagale reactie en anafylaxie 3 | |||||||||
| ò | |||||||||
| In geval van anafylaxie belt de verpleegkundige de spoeddienst (100 of 112) | |||||||||
| ò | |||||||||
| De arts dient adrenaline IM toe in de anterolaterale zijde van de dijspier in een 1:1000 oplossing Dosering: 0,01 mg/kg lichaamsgewicht (0,01 ml/kg) tot maximum 0,5 mg Dit stemt overeen met de volgende leeftijdsspecifieke doseringen: Minder dan 1 jaar 0,05-0,1 ml 1-2 jaar (ongeveer 10 kg) 0,1 ml 2-3 jaar (ongeveer 15 kg) 0,15 ml 4-6 jaar (ongeveer 20 kg) 0,2 ml 7-10 jaar (ongeveer 30 kg) 0,3 ml 11-12 jaar (ongeveer 40 kg) 0,4 ml 13 jaar en ouder 0,4-0,5 ml | |||||||||
| ò | |||||||||
| Herhaal adrenalinetoediening na 5 minuten indien geen klinische verbetering | |||||||||
1 Beadem vijfmaal indien geen ademhaling en vervolledig de cardiopulmonaire reanimatie (CPR)).
2 Ga verder met CPR indien nodig.
3 In geval van een vasovagale syncope moet enkel worden afgewacht.
Het advies van de HGR is gepubliceerd vóór de aanpassing in de regelgeving in 2016 (Vaccinatie door verpleegkundigen 2015.pdf) waardoor verpleegkundigen kunnen vaccineren zonder de aanwezigheid van een arts en is daarom geschreven vanuit de veronderstelling dat er steeds een arts aanwezig is tijdens de vaccinatie. De richtlijn is geschreven in samenwerking met de Koninklijke Academie voor Geneeskunde van België en wordt ondersteund door de BVAS, Domus Medica en Het Kartel. De richtlijn bevat een stappenplan waarin vermeld wordt dat in geval van anafylactische shock de verpleegkundige de spoeddiensten verwittigt via 112 en CPR start.
Als reactie op de vaccinatie kan rond de injectieplaats roodheid en zwelling ontstaan.
Een milde lokale reactie na vaccinatie is meestal het gevolg van een lokale ontstekingsreactie op de injectie. Het treedt meestal enkele uren na de inenting op en verdwijnt vanzelf.
Uitgebreide zwelling van lidmaat (Extensive Limb Swelling of ELS) is een gekende bijwerking na een vierde en vijfde dosis DTPa, maar kan ook voorkomen na vaccinatie tegen pneumokokken, tegen hepatitis B,… (14). Er bestaat nog geen algemeen aanvaarde definitie voor ELS. Meestal begint de reactie binnen de 48 uur na vaccinatie en verdwijnt de zwelling na 4 à 5 dagen zonder restletsels (15). ELS wordt vaker gerapporteerd na een hoger aantal dosissen van DTPa dan na en lager aantal dosissen (14).
De incidentie is verschillend naar gelang de definitie die gebruikt wordt. Een incidentie van zwelling van de volledige bovenarm van 2% werd beschreven na de vierde of vijfde dosis van DTPa (16). Roodheid rond de injectieplaats met een diameter ≥ 50 mm werd door Rennels vastgesteld bij 2 tot 10% (afhankelijk van de gebruikte merknaam) na een vierde dosis DTPa. Afhankelijk van de studie wordt na een vijfde dosis DTPa een zwelling met een diameter ≥ 50 mm vastgesteld bij 8-37% (16, 17).
De pathofysiologie van reacties rond de plaats van de inenting is complex, waarschijnlijk multifactorieel en nog niet volledig begrepen (18).
Sommige auteurs beschouwen ELS als een uitgesproken lokale ontstekingsreactie rond de injectieplaats (14). Lokale reacties zouden dan een continuüm vormen van mineure reacties rond de injectieplaats tot ELS. Verschillende bestanddelen van vaccins worden voorgedragen als mogelijke oorzaak, bv. aluminium, tetanus- en difterie-toxoid (16). Zwelling van de volledige dij na een vierde dosis DTPa komt vaker voor na vaccinatie met een vaccin dat meer difterie toxoid bevat, dan met een vaccin dat minder toxoid bevat (16).
Een andere hypothese is dat ELS veroorzaakt wordt door een Arthus reactie. Bij dit type III allergische reactie worden lokaal oplosbare immuuncomplexen (antigenen van het vaccin vormen complexen met antilichamen aanwezig in het serum op het moment van de vaccinatie) gevormd die in haarvaten kunnen vastlopen. Als reactie komen ontstekingsmediatoren vrij die weefselschade veroorzaken. Er werd een significant verband gevonden tussen de prevaccinatie antilichaamtiters tegen pertussis- en difterie-toxoid vóór de vijfde dosis DTPa en het optreden van ELS (16,17). Om die reden moet het aanbevolen minimuminterval tussen 2 vaccins worden gerespecteerd.
Een ELS reactie na vaccinatie ziet er indrukwekkend uit. Als het niet herkend wordt, kan het verkeerdelijk gediagnosticeerd worden als infectieuze cellulitis (erysipelas), met een onnodige behandeling met antibiotica tot gevolg. Typische kenmerken van erysipelas zijn het acuut begin, de scherp begrensde, drukpijnlijke rode zwelling, en geassocieerde veralgemeende symptomen (bv. frissons, algemene malaise, nausea en braken).
Het optreden van ELS is geenreden om in de toekomst niet meer te vaccineren met een gelijkaardig vaccin. Uit de literatuur blijkt dat ELS niet geassocieerd is met complicaties bij een nieuwe vaccinatie en dat het aanbevolen vaccinatieschema dus moet gerespecteerd worden (19).
Vaak voorkomende systemische bijwerkingen na vaccinatie zijn koorts (volgens internationaal aanvaarde definitie een rectale lichaamstemperatuur van 38,0°C), hoofdpijn, gedaalde eetlust, spierpijn en algemene malaise. De frequentie van voorkomen hangt af van het toegediende vaccin.
Als een kind op een voorgaande vaccinatie met zeer hoge koorts of een koortsconvulsie heeft gereageerd, kan overwogen worden profylactisch paracetamol toe te dienen. Het kind kan zich daardoor wat beter voelen, toch zullen paracetamol of ibuprofen een volgende koortsconvulsie niet voorkomen (1). Bovendien is gebleken dat de immuunrespons op vaccins bij het gebruik van paracetamol geringer kan zijn dan wanneer geen paracetamol wordt gegeven (20). Om die reden wordt afgeraden routinematig profylactisch paracetamol toe te dienen bij vaccinaties.
Een syncope of flauwvallen kort na de vaccinatie is meestal een vaso-vagale reactie op emotie of pijn. Men ziet het vaak bij tieners en adolescenten. Het is belangrijk dit als zodanig te herkennen en het niet te verwarren met een anafylactische reactie (meer over de differentiaaldiagnose bij ‘anafylaxie’). De symptomen van syncope zijn: bleekheid, zweten, duizeligheid, beven, geeuwen, misselijkheid, bradycardie, hypotensie en een koude klamme huid. Het verlies aan spiertonus kan aanleiding geven tot flauwvallen. In 12 tot 25 % van de gevallen van syncope komen tonisch-clonische contracties voor. Ook verlies van urine is mogelijk, gezien een uitval van de cerebrale functie gedurende 15 seconden reeds voldoende is om een lozing van de urine te veroorzaken. In geval van syncope is er geen amnesie en geen residuele verwardheid. Deze elementen zijn zeer belangrijk voor de differentiaaldiagnose met epilepsie. Een syncope die gepaard gaat met tonisch-clonische contracties verdient verder onderzoek.
Een syncope treedt in de helft van de gevallen op na minder dan 5 minuten en in 80% na minder dan 15 minuten (21). Om trauma door het vallen bij syncope te voorkomen wordt geadviseerd om de leerling zittend of liggend te vaccineren en om de leerling gedurende 15 minuten, zittend of liggend, onder toezicht te houden na vaccinatie (3,22). In geval van syncope moet de gevaccineerde geobserveerd worden tot de symptomen verdwenen zijn.
Bij prikaccidenten is er risico op overdracht van infecties door via bloed overdraagbare micro-organismen. Het gaat dan hoofdzakelijk over het hepatitis B virus (HBV), het hepatitis C virus (HCV) en het humaan immunodeficiëntie virus (HIV). Het zijn virussen die aanleiding kunnen geven tot chronisch dragerschap. Uiteraard zal niet elk prikongeval de overdracht van één van deze virussen tot gevolg hebben. Het risico dat dit daadwerkelijk gebeurt, is voornamelijk afhankelijk van drie factoren:
Het risico op overdracht van HBV na een prikongeval met een HBsAg besmette naald varieert sterk naargelang de aanwezigheid van HBeAg in het bloed van de besmettingsbron: van 40% bij een HBeAg-positieve tot 2% bij een HBeAg- negatieve bron.
HCV-seroconversie bij percutane blootstelling aan bloed van HCV-positieve patiënten ligt lager dan bij HBV en wordt geschat op 3% tot 10%.
Uit de analyse van de gevolgen van prikongevallen is gebleken dat het risico op besmetting met HIV na een percutaan letsel ongeveer 0,2% tot 0,3% bedraagt, wat dus neerkomt op ongeveer 1 HIV besmetting per 300 tot 500 prikaccidenten met HIV positieven.
Het risico op overdracht van één van deze virussen door een prikongeval met een drager van HBV, HCV of HIV is dus het kleinst voor HIV, waarvan bovendien de prevalentie in de algemene bevolking het laagst is.
Omdat HBV, HCV en HIV overgedragen worden door contact met bloed is het volume bloed betrokken bij een prikaccident een belangrijke factor, dit bepaalt de hoeveelheid virale partikels die overgedragen worden. Zo zijn prikaccidenten met holle naalden, die zopas gebruikt werden voor bloedafname en dus nog een kleine hoeveelheid bloed bevatten, het gevaarlijkst.
Voor elke bloedafname en elk bloedonderzoek van het potentiële slachtoffer of van de persoon die aan de basis ligt, dient toestemming verkregen te worden. De persoon die aan de basis ligt, heeft het recht om zijn/haar serologie niet mee te delen en om een bloedonderzoek te weigeren. In het geval dat het potentiële slachtoffer een bloedafname weigert, dient de persoon ervan verwittigd te worden dat hij het risico loopt geen aanspraak te kunnen maken op de verzekering die het arbeidsongeval dekt.
Afhankelijk van de besmettingsbron en de vaccinatietoestand van het potentiële slachtoffer kunnen één of meerdere van de volgende stappen ondernomen worden:
Voor meer gedetailleerde informatie kan de publicatie van de Hoge Gezondheidsraad van 2011 geconsulteerd worden Accidentele contacten met bloed en andere lichaamsvochten – Hoge Gezondheidsraad
Een globale vaccinatiestrategie behelst de volgende aspecten:
De Hoge Gezondheidsraad (HGR) is een federale dienst die wetenschappelijk advies geeft i.v.m. volksgezondheid. De HGR neemt geen beleidsbeslissingen.
Het basisvaccinatieschema van de HGR bevat de aanbevolen vaccins om een basisimmuniteit op te wekken bij de ganse bevolking met vermelding van de leeftijd waarop deze bij voorkeur worden toegediend. Het advies van de HGR van 2025 over het basisvaccinatieschema vind je hier: Hoge Gezondheidsraad
Op advies van de HGR en na bekrachtiging door de bevoegde ministers tijdens de interministeriële conferenties Volksgezondheid, wordt het basisvaccinatieschema van de HGR geïmplementeerd in het vaccinatiebeleid van de verschillende gemeenschappen. Het basisvaccinatieschema van de HGR wordt, aangepast aan de organisatie van de Vlaamse gezondheidszorg, geconcretiseerd in het Vlaamse vaccinatieschema. Het wordt jaarlijks herzien en, zo nodig, aangepast op basis van het advies van de HGR.
Op het niveau van de Vlaamse gemeenschap werd in 2000 de Vlaamse Vaccinatiekoepel opgericht, met als doel een brug te slaan tussen de Vlaamse overheid en vertegenwoordigers van de verschillende groepen vaccinatoren voor de concrete implementatie van het vaccinatiebeleid. De Vlaamse Vaccinatiekoepel verleent ook advies aan de Vlaamse minister bevoegd voor het gezondheidsbeleid.
Het Ministerieel Besluit (MB) van 29 januari 2015 tot het bepalen van het vaccinatieschema voor Vlaanderen toont welke keuzes de Vlaamse overheid maakt om haar bevolking de mogelijkheid te bieden zich levenslang te laten vaccineren.
In België is sinds 1967 één vaccinatie wettelijk verplicht, namelijk de vaccinatie tegen polio vóór de leeftijd van 18 maanden (KB van 26-10-1966). In 2001 werd beslist het oraal poliovaccin te vervangen door het inspuitbaar geïnactiveerd poliovaccin (IPV) en de eerste inenting in het basisvaccinatieschema te vervroegen naar de leeftijd van 2 maanden. Om het KB na te leven heeft elk gemeentebestuur een meldingsplicht aan de Federale overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu indien een inwoner op de leeftijd van 18 maanden niet de basisvaccinatie tegen polio kreeg. Overtredingen kunnen worden overgemaakt aan het Parket van de bevoegde Procureur des Konings.
Alle overige vaccinaties in het basisvaccinatieschema zijn niet wettelijk verplicht, wel sterk aanbevolen.
Op basis van een uitgebreid literatuuronderzoek en na verschillende overlegrondes met de werkgroep werd een ontwerp van de standaard Vaccinaties 2005 door de wetenschappelijk medewerker voorbereid. De samenstelling van de werkgroep, met medewerkers van CLB van de verschillende netten, was als volgt:
Dr. Ann Blyweert
Dr. Leen De Bruyn
Dr. Marie-Thérèse De Cort
Dr. Anne Deschuytere
Dr. Myriam Geens
Dr. Sabine Modde
Dr. Katlijn Roseeuw
Dr. Marie-Elisabeth Van Alsenoy
Dr. Katelijne Van Hoeck
Dr. Ingrid Van Remoortele
Dr. Nele Vangheluwe
Dr. Karine Vanhuysse
Dr. Leen Verbeeck
Dr. Catherine Verhoyen
Mevrouw Ilse Finaut
Mevrouw Martine Nobels
Mevrouw Renée Van De Velde
Mevrouw Greet Viroux
De ontwerptekst werd voorgelegd aan academici met expertise in het domein van de vaccinologie en infectieuze pathologie. De verschillende Vlaamse universiteiten zijn hierbij vertegenwoordigd. Naar aanleiding van hun opmerkingen werd de tekst verder aangepast. De volgende experts beoordeelden de tekst:
Prof. dr. Pierre Van Damme (UA)
Prof. dr. Anne Malfroot (VUB)
Prof. dr. Willy Peetermans (KULeuven)
Dr. Corinne Vandermeulen (KULeuven)
De samenstelling van de adviesraad was als volgt:
Prof. dr. Karel Hoppenbrouwers, KULeuven
Prof. dr. Anne-Marie Depoorter, VUB
Prof. dr. Pierre Van Damme, UA
Prof. dr. Margarita Craen, UGent
Dr. Moniek De Keyser, CLB-arts
Dr. Inge Van Trimpont, CLB-arts
Dr. Marijke Vermoere, CLB-arts
Dr. Belkacem Aggoune (OVSG)
Dr. Trees Ameloot (VCLB)
Mevrouw Christine Glorieux (CLB GO!)
Dr. Helga Lakiere
de Heer Herwin De Kind (vervangen door Mevrouw Christel Bosseloo)
Dr. Chris Stuyven
Dr. Anouk Vanlander
De laatste aangepaste versie van de Standaard Vaccinaties 2005 werd goedgekeurd door de raad van beheer van de VWVJ.
Deze laatste aangepaste versie van de Standaard Vaccinaties 2005 werd in augustus 2005 aan de administratie gezondheidszorg ter aanvaarding voorgelegd.
De Vlaamse Wetenschappelijke Vereniging voor Jeugdgezondheidszorg (VWVJ) ontwikkelt in opdracht van de Vlaamse minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin standaarden voor een kwaliteitsvolle uitvoering van preventieve jeugdgezondheidszorg in de centra voor leerlingenbegeleiding (CLB). De Standaard Vaccinaties is een handleiding voor de uitvoering van het vaccinatieprogramma binnen de jeugdgezondheidszorg. De standaard geeft wetenschappelijk onderbouwde richtlijnen voor een kwaliteitsvolle vaccinatie.
Voor de ontwikkeling van deze standaard volgde de VWVJ een vooraf vastgelegde procedure:
Een wetenschappelijk medewerker bereidt samen met een werkgroep van CLB-medewerkers een ontwerp van standaard voor.
Dit ontwerp wordt achtereenvolgens voorgelegd aan een groep experts voor inhoudelijk-wetenschappelijke bijsturing, en aan een adviesraad voor beoordeling van de haalbaarheid van de voorgestelde richtlijnen.
Na goedkeuring van de finale tekst door de Raad van Beheer van de VWVJ, wordt de standaard overhandigd aan de administratie gezondheidszorg, die met akkoord van de minister instaat voor de implementatie.
Standaard Vaccinaties 2013 – Vaccineren voor CLB
De Standaard Vaccinaties 2005 werd sinds de lancering regelmatig aangepast in functie van veranderingen in het vaccinatieaanbod voor CLB en nieuwe wetenschappelijke inzichten. De feedback van de coördinatoren vaccinaties gaf aan wat nodig was om de praktijk nog beter te ondersteunen en leidde ook tot aanpassingen in de standaard. Voorbeelden hiervan zijn: de aanbeveling over het verwijderen van medisch afval in het CLB die veel concreter werd omschreven, de VWVJ nam het initiatief om een consensusnota te schrijven ‘Aanbevolen intramusculaire vaccinatietechniek’ en formuleerde de VWVJ een advies voor de toestemmingsprocedure voor vaccinatie in CLB. De coördinatoren vaccinaties kregen regelmatig een nieuwsbericht en de lijst van vaak gestelde vragen op de website van de VWVJ groeide heel snel.
In de ‘Standaard Vaccinaties 2013 – vaccineren voor CLB’ is geprobeerd de aanpassingen, de inhoud van de nieuwsberichten en de vaak gestelde vragen zo goed mogelijk samen te brengen. Zo zijn er vele paragrafen toegevoegd. Bepaalde delen uit de Standaard Vaccinaties 2005 zijn weggelaten. Voor algemene achtergrondinformatie over vaccinaties, voor de meest actuele informatie over vaccinatie in bijzondere omstandigheden (prematuren, bij borstvoeding, bij zwangerschap,…) en voor informatie over de interferentie tussen vaccins en immuunglobulines of bloedproducten kan een algemeen werk over vaccinaties geraadpleegd worden, Handboek vaccinaties (1-2).
De nieuwe versie van de Standaard Vaccinaties wil het vaccineren in het CLB verder op een correcte en gebruiksvriendelijke manier ondersteunen.
De Standaard Vaccinaties werd in mei 2021 en februari 2023 geactualiseerd naar aanleiding van wijzigingen in de gratis vaccinatiekorf en van bijkomend wetenschappelijk bewijs over de simultane toediening van vaccins. In september 2024 was er een aanpassing over de wijziging van voorbereiden en toediening van vaccins naar een B1 verpleegtechnische handeling, het niet ontluchten van kant-en-klare vaccins en de gelijkschakeling van de inhaalvaccinatieschema’s voor leerlingen vanaf 19 jaar in het secundair onderwijs met de 16-18 jarigen.
In september 2025 werden volgende aanpassingen gedaan: 1) de gewijzigde aanbeveling betreft geldige poliovaccinatie waarbij minstens 1 IPV of minstens 1 OPV van vóór 2016 moet toegediend zijn, 2) de aanbeveling dat een herhaling DTPa-IPV in het 1ste leerjaar niet nodig is indien na de leeftijd van 4 jaar reeds een booster DTPa-IPV werd toegediend. 3) toelichting rond indicatie voor subcutane vaccinatie.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Aliquam elementum viverra elit sed suscipit. Sed ultrices nisi vel dui congue mattis. Sed placerat ipsum eu lacinia eleifend. Mauris malesuada cursus sapien in sagittis. Curabitur et laoreet mi, ut dictum felis. Morbi tincidunt quam tellus, eget volutpat magna sollicitudin vel. Nulla suscipit est a bibendum ultrices. In et vulputate tortor.
Sinds 2003 ontwikkelt VWVJ de standaarden JGZ voor CLB volgens een vaste procedure. Ze dragen bij aan een kwaliteitsvol en uniform aanbod van jeugdgezondheidszorg. Nieuwe wetenschappelijke inzichten, wijzigingen in de wetgeving of context, signalen uit de praktijk of analyses van gezondheids- en procesindicatoren kunnen aanleiding geven tot een herziening.
Je vindt hier werkmaterialen die je ondersteunen in je dagelijkse praktijk. Ze bieden houvast bij preventie en zorg en helpen je om te communiceren met ouders, jongeren, scholen en behandelende artsen.
Je vindt hier alle VWVJ-werkmaterialen voor de kwaliteitszorg en organisatie van je CLB, overzichtelijk geordend volgens het referentiekader voor CLB-kwaliteit.
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur.
In 2018 werd het regelgevend kader voor leerlingenbegeleiding door scholen en CLB’s vastgelegd. Daarbij werd het eerdere Besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2008 over de inrichting en uitrusting van de infrastructuur voor medische consulten door de CLB’s opgeheven.
Het huidige kader is opgenomen in het Besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 2018 tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding.
Hoofdstuk V van dit besluit beschrijft de vereisten voor infrastructuur en uitrusting.
De omzendbrief van 14 juni 2019 over de operationalisering van de leerlingenbegeleiding verduidelijkt artikel 18 van het besluit.
In punt 5 staat dat:
Punt 2 van de omzendbrief, bij de toelichting bij artikel 2 van het besluit, beschrijft wat de decreetgever minimaal verwacht van scholen en CLB’s binnen het begeleidingsdomein preventieve gezondheidszorg.
Scholen werken actief mee aan de organisatie en uitvoering van de systematische contacten en vaccinaties door het CLB. Dat kan bijvoorbeeld door afspraken te maken over het gebruik van de lokalen waar de contacten plaatsvinden.
Het lokaal, de uitrusting ervan en het medisch materiaal moeten beantwoorden aan de vereisten van de algemene hygiëne, van het comfort en de veiligheid van de personen op het vlak van:
Om het infectierisico te beperken, worden de volgende algemene regels nageleefd:
Rustige ruimte waarin visuele en auditieve prikkels beperkt zijn zodat de leerling niet afgeleid wordt.
De audiometrie wordt afgenomen in een rustige ruimte waarin de waarnemingsdrempel van de onderzoeker gelijk is of maximaal 10 dB hoger ligt, dan zijn/haar waarnemingsdrempel in stille omstandigheden.
Voor de afname van de SPIN-test vormt gering omgevingslawaai, zelfs met kortdurend stoorgeluid, geen probleem.
Een ruimte die voldoende groot is om de noodzakelijke afstand te respecteren die nodig is om het verzicht van de leerling te onderzoeken (3 à 6 m afhankelijk van de gebruikte test).
Het lokaal bevat ook een lavabo (handhygiëne), een plaats waar de leerling zich (met respect voor privacy) kan omkleden, stopcontacten en een goede internetverbinding.
Om het verzicht op een kwaliteitsvolle manier te onderzoeken, dient de test belicht te worden met een homogene verlichting van 500 lux zonder lichtreflectie. Dit kan via spotverlichting (twee 100 Watt spotlampen met een grote spreidingshoek die de kaart schuin van boven van ongeveer twee meter afstand bestralen).
Voor het onderzoek van het dieptezicht dient minimaal 1000 lux homogeen licht (zonder lichtreflectie) te schijnen op de test.
Voor het kleurzinonderzoek dient bijkomend de test belicht te worden door wit licht met een minimale lichtsterkte van 1500 lux.
In het lokaal waar de leerlingen ontkleed zijn, moet de regelbare verwarmingsinstallatie, bij alle weersomstandigheden, een temperatuur van +20° C kunnen voorzien.
Indien gevaccineerd wordt zijn er 2 bijkomende aandachtspunten, nl. de mogelijkheid om een leerling die dreigt flauw te vallen, comfortabel neer te leggen en een ruimte waar leerlingen tot 15 minuten na vaccinatie onder toezicht van een volwassene kunnen wachten zonder dat ze hiervoor de trap dienden te nemen.
Laatste revisie: februari 2026
Gelatine wordt in de farmaceutische en voedingsindustrie gebruikt als stabilisator. Het wordt gemaakt door hydrolyse van collageen, een eiwit dat voorkomt in het bindweefsel van dieren. Het vaccin MMRVAX PRO bevat gelatine van varkensoorsprong.
Bij sommige geloofsgemeenschappen kan dit vragen oproepen over de toelaatbaarheid van het vaccin. Met onderstaande informatie kan je ouders en jongeren correct informeren en ondersteunen bij het maken van een weloverwogen keuze.
Voor personen die de islamitische wet naleven
De Islamitische Organisatie voor Medische Wetenschappen (IOMS) organiseerde een congres over juridisch verboden en onzuivere stoffen in voedingsmiddelen en geneesmiddelen. Hieraan namen meer dan 100 religieuze rechtsgeleerden en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) deel.
Tijdens dit congres werd gesteld dat de omzetting van een stof in een andere stof met verschillende eigenschappen, juridisch onzuivere stoffen zuiver kan maken en verboden stoffen toegestaan kan maken.
De religieuze rechtsgeleerden beschouwden de omzetting van bestanddelen van varkens tot gelatine daarom als voldoende om vaccins met gelatine van varkensoorsprong en geneesmiddelen in gelatinecapsules toe te laten voor moslims die de islamitische voorschriften naleven.
Deze aanbeveling wordt wereldwijd door veel moslims aanvaard. Binnen de moslimgemeenschap bestaan echter verschillende opvattingen. Sommige ouders of jongeren kunnen een vaccin met gelatine van varkensoorsprong daarom toch als verboden beschouwen.
Welk alternatief is er?
Priorix bevat geen varkensgelatine en kan als alternatief gebruikt worden. Dit vaccin kan niet gratis worden aangeboden via de vaccinatiekorf van de Vlaamse overheid.
Voor personen die de joodse wet naleven
Volgens rabbijn Abraham Adler van de Kashrut and Medicines Information Service in het Verenigd Koninkrijk vormen bestanddelen van varkens of andere dieren volgens de joodse wet geen bezwaar wanneer ze niet via de mond worden ingenomen.
Dit geldt onder meer voor vaccins, injecties, zetpillen, crèmes en zalven.
Kashrut is het deel van de joodse wet dat bepaalt welke voedingsmiddelen gegeten mogen worden, hoe ze bereid moeten worden en hoe ze gegeten worden.
In het onderzoek De orthodox-joodse gemeenschappen in Antwerpen: een ondergevaccineerde risicogroep onderzocht CLB-arts Carine Asnong verschillende oorzaken van ondervaccinatie. Het onderzoek werd voorgesteld naar aanleiding van de Gezondheidsconferentie Vaccinaties in 2012.
Uit dit onderzoek bleek dat religieuze overtuiging binnen deze subgroep geen reden was om niet te vaccineren.
Laatste revisie: September 2015
Nee. Op de toestemmingsbrief moet duidelijk vermeld staan voor welk vaccin toestemming wordt gevraagd. Een algemene toestemming voor ‘ontbrekende vaccins’ volstaat niet.
Je kan wel toestemming vragen voor meerdere vaccinaties tegelijk, op voorwaarde dat het gaat om een geïnformeerde toestemming (informed consent).
Dat betekent dat de persoon die toestemming geeft voldoende informatie moet krijgen over onder meer:
Laatste revisie: April 2024
Wanneer er geen vaccinatiebewijzen beschikbaar zijn, bied je altijd het volledige inhaalvaccinatieschema aan.
Wat als ouders het volledige schema weigeren?
Sommige ouders zijn ervan overtuigd dat hun kind alle nodige vaccinaties kreeg in het land van herkomst en willen daarom niet ingaan op het volledige inhaalschema.
In dat geval vergelijk je het vaccinatieschema van het land van herkomst met het Vlaamse vaccinatieschema. Je vindt de vaccinatieschema’s van verschillende landen via de website van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).
Op basis van die vergelijking bied je de ontbrekende vaccins aan.
Bespreek ook het bijkomende risico op mazelen en adviseer alsnog een vaccinatie tegen mazelen, bof en rubella (MBR).
Laatste revisie: Juli 2026
Er is momenteel geen wettelijke geldigheidsduur vastgelegd voor een schriftelijke toestemming voor vaccinatie door het CLB.
Wat bepaalde de vroegere regelgeving?
Het ministerieel besluit van 15 maart 2004 over het vaccinatieschema voor de centra voor leerlingenbegeleiding bepaalde dat toestemming voor meerdere vaccinaties tegelijk gegeven kon worden, maar maximaal twee jaar geldig bleef.
Dit besluit werd in 2011 opgeheven.
Het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2009 over de operationele doelstellingen van de CLB’s (Belgisch Staatsblad van 3 september 2009) bepaalde dat het CLB pas mag vaccineren nadat:
Het besluit vermeldt niet wie de toestemming moet geven, voor hoeveel vaccins tegelijk toestemming kan worden gegeven of hoelang de toestemming geldig blijft.
Wat doe je in de praktijk?
Werd de toestemming tijdens het vorige schooljaar gegeven? Dan raden we aan om bij de ouders en/of de leerling na te vragen of die toestemming nog steeds geldt.
Laatste revisie: Oktober 2023
Volgens Sanofi Pasteur MSD heeft het openen van de blister van een individueel verpakt vaccin geen gevolgen voor de steriliteit van het vaccin.
De blister dient enkel als bewijs dat de verpakking intact is.
Wordt het vaccin niet onmiddellijk gebruikt? Dan moet je de regels van de koudeketen blijven respecteren.
Laatste revisie: November 2013
Als de basisvaccinatie volledig is, volstaat het om de leerling op dat moment een herhalingsvaccinatie met dTpa en IPV te geven.
Daarna volgt om de tien jaar een herhalingsdosis dTpa.
Hou er rekening mee dat de leerling in de voorgaande jaren niet optimaal beschermd was tegen difterie, tetanus, kinkhoest en polio.
Laatste revisie: Oktober 2023
Voor kinderen in het eerste leerjaar wordt een herhalingsvaccinatie met DTPa-IPV aanbevolen. Dit vaccin bevat een hogere dosis van bepaalde antigenen en geniet daarom de voorkeur op populatieniveau.
Toch zijn Triaxis en Boostrix (dTpa) vanaf de leeftijd van vier jaar goedgekeurd als herhalingsvaccin.
Wat als een kind toch dTpa kreeg?
Als het kind een correcte basisvaccinatie heeft gekregen, mag je ervan uitgaan dat de dTpa-vaccinatie voldoende bescherming biedt tegen difterie, tetanus en kinkhoest.
Je hoeft dan alleen nog een vaccinatie tegen polio aan te bieden.
Laatste revisie: Mei 2022
Dat hangt af van de leeftijd waarop de leerling de inhaalvaccinatie kreeg.
Bron: Hoge Gezondheidsraad, Inhaalvaccinaties 2013, voetnoot 3 bij tabel 1.
Laatste revisie: Januari 2014
Werk het inhaalschema binnen een redelijke termijn af volgens de leeftijd die de leerling had bij de eerste dosis van de vaccinatiereeks.
Dat de leerling tijdens het schema 13 jaar wordt, verandert niets aan de verdere uitvoering ervan.
Laatste revisie: Augustus 2014
Het vaccinatieschema tegen mazelen, bof en rubella (MBR) bestaat uit twee dosissen.
Wanneer je vaststelt dat een kind de eerste MBR-vaccinatie niet kreeg, kan je die vanaf de leeftijd van 12 maanden onmiddellijk toedienen.
Dat mag samen met andere vaccins uit het basisvaccinatieschema, op voorwaarde dat je een andere injectieplaats gebruikt.
Wat betekent dit voor de CLB-praktijk?
Kinderen moeten tot en met het eerste leerjaar één dosis MBR-vaccin gekregen hebben. Daarna volgt de tweede dosis zoals normaal voorzien in het tweede leerjaar.
Tussen de eerste en de tweede dosis moet minstens vier weken zitten.
Laatste revisie: Juli 2026
Nee. Een hepatitis B-vaccinatieschema (HBV) moet niet herstart worden wanneer het interval tussen twee dosissen langer is dan aanbevolen.
Er bestaan geen maximumintervallen tussen de dosissen.
Welk vaccinatieschema wordt aanbevolen?
Volgens de Hoge Gezondheidsraad geldt:
Bij een schema met drie dosissen respecteer je de volgende minimumintervallen:
Zijn de intervallen langer dan deze minimumtermijnen? Dan werk je het bestaande schema verder af. Je hoeft niet opnieuw te beginnen.
Laatste revisie: Augustus 2010
Werk het vaccinatieschema binnen een redelijke termijn af volgens de leeftijd die de leerling had bij de eerste dosis.
Als de leerling bij de start van het schema nog 15 jaar was en tijdens het schema 16 jaar wordt, kan je het tweedosisschema dus gewoon afwerken.
Laatste revisie: Augustus 2014
Ja. Als een kind bij de geboorte een eerste vaccinatie tegen hepatitis B (HBV) kreeg en in totaal drie dosissen tijdens het eerste levensjaar, is een vierde dosis na de leeftijd van één jaar niet nodig, op voorwaarde dat de juiste intervallen gerespecteerd werden.
Waarom wordt in sommige landen al bij de geboorte gevaccineerd?
In landen waar hepatitis B endemisch voorkomt, krijgen kinderen vaak al bij de geboorte een eerste vaccinatie om overdracht van moeder op kind te voorkomen.
In deze landen worden tijdens het eerste levensjaar vaak in totaal drie dosissen toegediend.
Dit schema biedt ook voldoende bescherming in landen waar hepatitis B niet endemisch voorkomt en besmetting doorgaans op latere leeftijd plaatsvindt, zoals in België.
Welke voorwaarden gelden?
De drie dosissen zijn geldig als de volgende voorwaarden gerespecteerd werden:
Bron: Hoge Gezondheidsraad, Advies Inhaalvaccinaties 2013.
Laatste revisie: November 2023
Je kan het vaccinatieschema gewoon verder afwerken. De eerste dosis hoeft niet herhaald te worden.
Waarom vermeldt de bijsluiter dan een maximuminterval?
De fabrikant vermeldt een maximuminterval omdat de werkzaamheid van het vaccin binnen dat interval onderzocht werd.
Op basis van gegevens over andere geïnactiveerde vaccins mag je verwachten dat ook het HPV-vaccin zijn werkzaamheid behoudt wanneer het aanbevolen maximuminterval overschreden wordt.
Je hoeft het schema dus niet opnieuw te starten.
Laatste revisie: Mei 2022
Volgens het Besluit van de Vlaamse Regering tot operationalisering van de leerlingenbegeleiding in het basisonderwijs, het secundair onderwijs en de centra voor leerlingenbegeleiding (Belgisch Staatsblad van 6 augustus 2018) moet het CLB de vaccinatiestatus van leerlingen nagaan:
Op basis daarvan biedt het CLB vaccinaties en inhaalvaccinaties aan, zoals bepaald in artikel 9 van het besluit.
Laatste revisie: November 2023
Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Aliquam elementum viverra elit sed suscipit. Sed ultrices nisi vel dui congue mattis. Sed placerat ipsum eu lacinia eleifend. Mauris malesuada cursus sapien in sagittis. Curabitur et laoreet mi, ut dictum felis.

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipiscing elit. Praesent nec odio ut purus volutpat facilisis pulvinar et nunc. Morbi lectus risus, maximus a volutpat id, vulputate in nisi.
